Verschillende disciplines
Onderzoek naar, en advisering over, cultuurhistorie is vanouds verspreid over verschillende vakgebieden, waarvan archeologie, architectuur/bouwhistorie, historische geografie en historische ecologie, de belangrijkste zijn. Daarvan kijkt de architectuurhistorie vooral naar de geschiedenis en betekenis van gebouwen, steden en parken. Ontwerptekeningen, ideeƫnboeken en archieven dragen eraan bij een beeld van die geschiedenis te geven. De architectuurhistorie houdt zich bijvoorbeeld bezig met interieurs, buitenplaatsen, industrieel erfgoed, stedenbouw, maar ook bijvoorbeeld met kleurgebuik, wederopbouwarchitectuur en monumentaal groen. Bouwhistorie, een vakgebied dat de laatste jaren sterk is gegroeid, kijkt meer naar constructies en bouwsporen en lijkt soms veel op archeologie. De archeologie houdt zich, althans in Nederland, bezig met het bodemarchief (de zaken die zich in de grond bevinden) en met prehistorische en enkele middeleeuwse bovengrondse overblijfselen. Bij de laatste gaat het vooral om objecten waarover geen of weinig schriftelijke gegevens bestaan en die alleen met archeologische methoden goed kunnen worden onderzocht. Een deel van die archeologische methoden, zoals opgraven en in mindere mate onderzoek met een grondboor, kunnen sporen in de bodem beschadigen of vernietigen. Deze methoden zijn daarom voorbehouden aan officieel geregistreerde archeologen.De historische geografie heeft (strikt genomen) meer een eigen beschouwingswijze, de ruimtelijke invalshoek, dan een eigen onderzoeksobject. In de Nederlandse verhoudingen echter zijn sporen van vroegere menselijke activiteiten die buiten het terrein van de bouwhistorie en de archeologie vallen, in de praktijk het werkterrein van de historisch-geografen geworden. Het gaat daarbij om zaken als nederzettingsvormen, wegenpatronen, kavelpatronen, bolliggende akkers, heggen en houtwallen, waterstaatswerken (dijken, sluizen), kleine elementen (wegkruisen, grenspalen, poelen, doorbraakkolken enz.), sporen van delfstoffenwinning (bijvoorbeeld petgaten en boerenkuilen) en sporen van oude bodemgebruiksvormen (hoogstamboomgaarden, heidevelden). Een aantal van die objecten wordt ook bestudeerd door de historische ecologie, een jong vakgebied dat zich richt op de invloed van mensen op ecosystemen in het verleden. De historisch geograaf bekijkt losse (landschaps)elementen en hun onderlinge samenhangen: ensembles en patronen. Een ensemble is een ongelijksoortige, maar wel ruimtelijk en functioneel met elkaar samenhangende groep elementen, zoals een molengang met weteringen, boezemwateren en dijken, die samen zorgen voor een droge polder. Een patroon bestaat uit een aantal ruimtelijk samenhangende, gelijksoortige elementen, bijvoorbeeld een wegenpatroon of een percelering. Het handboek is vanuit de invalshoek van de historische geografie geschreven.


