Cultuurhistorie

In de ruimtelijke ordening is al lange tijd een onderscheid gemaakt tussen 'natuur' en 'landschap'. In de jaren zeventig werd de laatste term meer en meer vervangen door twee nieuwe: landschapsbeeld (ook wel landschapsfysiognomie genoemd), en cultuurhistorie. Daarvan duidde de eerste term op de visuele kwaliteiten van het landschap: open of gesloten, groot- of kleinschalig, harmonisch of verstoord. De term 'cultuurhistorie' kwam in gebruik voor de historische waarde van het landschap. De term cultuurhistorie is nog wel op verschillende manieren ingevuld. Zo sprak de Commissie Rivierdijken (1977) over 'cultuurhistorie en landschap', waarbij de eerste term vooral op historische dijkbebouwing (het belangrijkste discussiepunt bij dijkverbeteringen) duidde en de historisch-geografische waarden onder 'landschap' werden gerekend. In de praktijk van de landinrichting is het juist een tijdlang gebruikelijk geweest om vooral historisch-geografische sporen als 'cultuurhistorie' aan te duiden. Gebouwen speelden in de landinrichting nauwelijks een rol en voor archeologisch onderzoek bestonden aparte budgetten. Het leidde in landinrichtingskringen tot het gebruik van begrippen als 'archeologie en cultuurhistorie'. Tegenwoordig wordt de term 'cultuurhistorie' bij voorkeur gebruikt voor het totaal aan sporen van menselijke activiteiten, boven en onder de grond, in de stad en op het platteland, opgebouwd uit biotisch en abiotisch materiaal. In Vlaanderen wordt ook wel de term 'patrimonium' gebruikt. We rekenen een object tot 'de cultuurhistorie' vanaf het moment waarop het verouderd raakt. Vanaf die tijd komen er geen nieuwe exemplaren meer bij en kan begonnen worden met een selectie van de voorbeelden die behouden zouden moeten worden. Uit deze brede definitie volgt dat cultuurhistorie een breed scala van objecten omvat, van telefoonpalen via houtwallen tot bodemsporen. De definitie maakt ook duidelijk dat cultuurhistorische objecten tijdgebonden zijn en daardoor onvervangbaar.