|
Aantastingen en bedreigingen
Als er een sloot langs het hakhoutelement ligt is het droogvallen of gedempt worden van de sloot een bedreiging voor het geriefhout. Als er vee in de aanplant kan komen is namelijk voortzetting van het hakhoutbeheer onmogelijk. Een andere bedreiging is het achterwege blijven van het hakhoutbeheer, waardoor het op den duur geheel zal verdwijnen. Hakhout staat namelijk vaak op min of meer drassige plaatsen. Als de bomen zwaar worden zullen ze na verloop van tijd niet genoeg steun meer vinden in de bodem en omwaaien, of het zware hout zal uitscheuren. Bij ruilverkavelingen en herinrichtingen zijn bij de schaalvergroting nogal eens landschapselementen verdwenen, onder andere hakhout.
Beheeropties
Behoud en consolidatie
Traditioneel stonden er in het geriefbosje houtsoorten die goed bestand waren tegen afzetten, waardoor regelmatig een houtoogst mogelijk was zonder dat daarna het bosje opnieuw ingeplant hoefde te worden. Knotwilgen boden die mogelijkheid ook, maar die leverden een andere kwaliteit hout. Extra dik en waardevol hout konden de bosjes opleveren doordat er bij het afzetten enkele ‘overstaanders' werden gespaard, vaak een gewone es of een zomereik. Die boom kon dan later hout leveren voor balken en ander bouwmateriaal.
Bij het onderhoud is het belangrijk dat het traditionele beheer wordt voortgezet, omdat alleen dan het element als hakhout in stand blijft en aantrekkelijk blijft voor de organismen zich op dat beheer hebben ingesteld. Binnen het hakhoutbeheer zijn er echter nogal wat variaties, die zowel regionaal bepaald lijken als het gevolg zijn van persoonlijke voorkeuren van de eigenaar of beheerder. Variaties zijn mogelijk in de keuze van het plantmateriaal, in de dichtheid waarin aangeplant werd, de lengte van de cyclus en in de hoogte van de stoven. Het is mogelijk om voor een specifiek element te kiezen voor het beheer dat in een regio het meest gebruikelijke was, maar kiezen voor een mozaïek van de daar gebruikte beheervormen lijkt verstandiger.
Regulier beheer betekent het regelmatig afzetten van het hakhout en het op diepte houden van de sloot. Het sparen van bovenstaanders is soms onderdeel van het traditionele beheer, maar vaak ook niet. Als de sloot niet in stand wordt gehouden kan vee in het hout komen. Dat kan in een of twee groeiseizoenen de dood van soms eeuwenoude stobben veroorzaken. Om de sloot op diepte te houden wordt die regelmatig gebaggerd. Het kwam voor dat die bagger in het bosje werd gedeponeerd op een zogenaamde staalplaats: een vaste plek van een paar vierkante meter die boomvrij werd gehouden. Bagger in het element brengen zou nu tot verruiging leiden, maar als zo'n staalplaats aanwezig is ligt het voor de hand die open te houden. De sloten hebben vaak niet veel natuurwaarde maar hebben een belangrijke functie in het rustig (want geïsoleerd) houden van de biotoop.
Als het hakhoutbeheer niet meer wordt volgehouden verandert de aanplant in een opgaand bos, zonder de specifieke dynamiek van hakhout en zonder de daarop toegespitste bijzondere soorten. Bovendien zal de samenstelling van het bosje minder gevarieerd worden doordat concurrentiekrachtige soorten de andere verdringen.
Bij het beheer wordt een op de aangeplante soorten afgestemde cyclus gehanteerd. Zo kunnen zwarte elzen een keer per ongeveer acht jaar worden afgezet, gewone essen een keer in de vijf á acht, maar bij een zomereik kan dat een keer in de 15 jaar zijn. Een probleem kan zijn dat hakhoutaanplanten nogal eens een gemengde aanplant zijn. In dat geval moeten alle soorten tegelijk
worden afgezet, omdat anders de wel afgezette stobben bij gebrek aan licht niet weer uitlopen.
Het is mogelijk een deel van de aanplant af te zetten, maar dan moet dit een aaneengesloten stuk zijn, om sterke beschaduwing van stobben te voorkomen. De stammetjes worden afgezaagd op de hoogte waarop dat ook de vorige keer is gebeurd of eventueel iets hoger. Het takkenmateriaal moet afgevoerd worden.
Restauratie
Op veel plaatsen in bijvoorbeeld het veenweidegebied zijn nog resten van hakhoutbosjes aan te treffen. Ook op kades, landscheidingen en andere plaatsen zijn soms nog resten van de oude hakhoutcultuur aanwezig. Vaak zijn de ringsloten of de langs de kade lopende sloten dan verland. Het is goed mogelijk om zo'n bosje of zo'n aanplant te restaureren. Kies daarvoor de soorten die nu nog in het relict voorkomen of anders soorten uit vergelijkbare element uit de naaste omgeving.
Bij plantmateriaal van het formaat van het zogenaamde bosplantsoen (bijna altijd tussen de 60 en 120 centimeter hoog) is het graven van een klein gat voldoende. Het moet diep genoeg zijn om de boom op de diepte te zetten waarop hij ook op de kwekerij stond (dat is te zien aan de donkere verkleuring van het onderste deel van de stam) en breed genoeg om de wortels redelijk uit te kunnen spreiden.
Gaat het om plantmateriaal ter grootte van een veer of een laanboom, dan is het graven van een plantgat van 80 bij 80 bij 80 centimeter of 1 kubieke meter noodzakelijk. Ook hier moet de boom op de oorspronkelijke diepte worden geplant en moeten de wortels goed uitgespreid kunnen worden op de bodem van het plantgat. Bij de grotere boom moeten vrijwel altijd een of meerdere palen worden gezet. Zet die paal in het plantgat voordat de wortels er in worden uitgespreid, om beschadiging van de wortels te voorkomen.
De aanplant kan het beste in groepjes per soort gebeuren, zodat bijvoorbeeld een langzaam groeiende zomereik niet aan alle kanten omgeven is door snelgroeiende elzen. Ook is het verstandig bij de aanplant van de verschillende soorten rekening te houden met hun lichtbehoefte door veel licht vragende soorten aan de zuid of west kant van het bos te zetten en matige groeiers tussen snelle en langzame groeiers in. De aanplant zal gemiddeld plaats vinden in een plantverband van 1,5 bij 1,5 meter, maar regionale variaties moeten zo veel mogelijk gerespecteerd worden.
Reconstructie
Is een hakhoutaanplant helemaal verdwenen, maar is dankzij oude kaarten nog wel bekend waar die heeft gelegen, dan kan worden besloten tot reconstructie. Belangrijk is het daarbij de soorten aan te planten die traditioneel in die regio voorkomen. Voor bijvoorbeeld Utrecht-West (Kamerik, Kockengen en Zegveld) zijn inventarisaties gemaakt van geriefbosjes tussen 1980 en 1982. Daar waren toen de meest voorkomende soorten zwarte els (in 90% van de bosjes), gewone es (68 %), schietwilg (51%) en als struik de dauwbraam (38%). Ook wat de grootte en vorm van het element betreft en de plantafstand is afstemming op regionale gebruiken van groot belang.
Behoud door ontwikkeling
Het belang dat aan hakhoutpercelen wordt gehecht om landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische redenen wordt steeds duidelijker. Hakhout staat ook in de belangstelling omdat daar nog heel oud inheems erfelijk materiaal aanwezig kan zijn doordat de stobben of stoven van bomen in hakhoutbeheer zeer hoge leeftijden kunnen bereiken. Bovendien is van hakhoutbosjes bekend dat ze soms al honderden jaren op dezelfde plaats liggen. Er is dan ook een breed draagvlak voor het behouden van deze elementen en het voortzetten van het traditionele beheer. Hakhout is ook goed vertegenwoordigd in allerlei subsidie regelingen. Dat kan een reden zijn waarom daar vaak vrijwilligersgroepen actief zijn. Een recente ontwikkeling is het ontstaan van energiecentrales die gestookt worden op ‘gesnipperd' hout, bijvoorbeeld hout uit hakhoutpercelen.
Het behoud van een hakhoutelement kan mede gemotiveerd zijn vanuit de ecologische waarde die zo'n elementen heeft.
|