|
Celtic fields of raatakkers, zoals ze in het Nederlands heten, zijn kleine vierkante veldjes van 20-35 bij 35-40 meter, omringd door een lage wal van 6 à 12 meter breed. De veldjes liggen in grote complexen bij elkaar, waardoor een dambordachtig patroon is ontstaan. De wallen bestaan uit aarde en stenen. Op de akkers zijn de voor de ijzertijd kenmerkende gewassen als bedekte gerst, emmer, puimgierst, lijnzaad, huttentut en akkerboon verbouwd. Volgens de laatste inzichten werd er aan het einde van de gebruiksperiode niet op de lager gelegen percelen geakkerd, maar op de wallen. De naam komt uit Engeland, waar men deze akkers toeschreef aan Keltische stammen. Dit bleek niet te kloppen, maar de naam is gebleven.
Celtic fields zijn samen met grafheuvels, urnenvelden en hunebedden de
best zichtbare prehistorische overblijfselen in het hedendaagse
landschap. Rond 1100 voor Christus zijn de akkers ontstaan, toen de mens
zich in onze streken op vaste plekken ging vestigen. De landbouwers uit
die tijd kozen de zandgronden uit vanwege de losse structuur en het
gemak ze te ploegen. Ze zijn het meest intensief gebruikt tussen het
begin van de jaartelling en de eerste eeuwen na Christus. Toen in de
Romeinse tijd de keerploeg geïntroduceerd werd, ontstonden er
mogelijkheden ook zwaardere grond te bewerken. De celtic fields zijn
toen verlaten om op lagere, vruchtbaardere gronden te gaan boeren.
Celtic fields zijn vooral te vinden op de hogere zandgronden in Drenthe,
Twente, op de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. In Noord-Brabant en
Limburg bevinden vermoedelijk ook enkele locaties. Raatakkers liggen ook
elders in Noordwest Europa, in het bijzonder in Denemarken en
Duitsland. In Zweden en op de Britse eilanden liggen varianten waarbij
de veldjes zijn omringd door stenen walletjes.
|