|
|
Sprengen of sprengbeken zijn nieuw gegraven waterlopen of vergraven natuurlijke beken. Ze worden gevoed door uit een bron opwellend water. Er zijn twee typen te onderscheiden. Allereerst de sprengen waarvan de kop zelf als bron fungeert, voorbeelden liggen bij Vaassen. Daarnaast zijn er sprengen waarbij sprake is van met een 'leiding' aangevoerd water van hoger gelegen terreinen. Voorbeelden daarvan liggen bij 't Loo, waar geprofiteerd wordt van de lage ligging van de tuin ten opzichte van de omgeving om de fonteinen representatief te laten spuiten. Daar komt het water via de leidingen uit hoger dan het sprengengebied gelegen terreinen en wordt het vervolgens naar de nog lager gelegen tuinen geleid. Een spreng bestaat uit een min of meer ronde sprengkop en een daarvandaan lopende sprengbeek. Vermeldingen van sprengen zijn bekend vanaf 16e eeuw, maar mogelijk bestonden ze al eerder.
Het water uit de sprengen diende oorspronkelijk vaak voor drinkwatervoorziening, maar later volgde industrieel gebruik, bijvoorbeeld voor watermolens, graanmolens en papierproductie. Later werden veel van die watermolens omgebouwd tot wasserijen, waarbij ook het zeer schone sprengwater werd gebruikt. In de 19e eeuw konden sprengen daarnaast deel uitmaken van het watersysteem van een buitenplaats, zoals op landgoed Rosendael (bij Arnhem). Ook zijn in die eeuw nog sprengen gegraven om het Apeldoorns kanaal van extra water te voorzien.
Sprengen komen voor in gebieden met hoogteverschillen, waardoor het water bij de molen waterenergie levert. We vinden ze op en nabij de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Ook in het Gooi, in Montferland en bij stuwwallen bij Nijmegen en Ootmarsum komen sprengen voor.
|
|
|