|
|
Knotbomen zijn bomen met een opgaande stam van anderhalve á tweeëneenhalf meter, waarbij boven op die stam periodiek de daar groeiende takken of pruik worden geoogst. Door die oogst ontstaat er op deze hoogte een vergroeiing van de stam: de knot. De knotboom levert gemakkelijk oogstbaar hout op dat op een plaats groeit waar het vee er niet bij kan. Het hout werd voor allerlei doeleinden gebruikt, zoals bezems, oeverbeschoeiingen, takkenbossen voor ovens en gebruikshout zoals hekken en gereedschapsstelen. Voor allerlei vlechtwerk zoals de mandenmakerij zijn dunne eenjaarstwijgen geschikt. Wanden van vakwerkhuizen werden ook gemaakt met behulp van twijgen. Van de wilgen- en populierenstam konden klompen worden gemaakt.
Er zijn vermeldingen bekend van knotbomen al voor het begin van onze jaartelling. Het gaat dan om de soorten wilg, populier, es, els, eik en haagbeuk. Knotessen, haagbeuken en eiken kunnen bijzonder oud worden. Ook wilgen en bijvoorbeeld populieren worden als knotboom veel ouder dan wanneer ze vrijuit groeien. Utrecht en Zuid-Holland zijn nu nog de provincies met de meeste knotbomen, geschat wordt dat het alleen daar al om honderdduizenden exemplaren gaat. Andere knotboomrijke gebieden zijn (Zuid)-Limburg, de Achterhoek, de Liemers, het gebied van de grote rivieren en Zeeuws-Vlaanderen.
De aanwezigheid van knotbomen geeft informatie over het historische gebruik van het landschap. En ze zijn visueel van groot belang en worden daarom hoog gewaardeerd. Ze geven diepte aan het landschap en omkaderen doorkijkjes.
|
|
|