|
|
Geriefbosjes en andere beplantingsvormen met hakhoutbeheer dienden om hout te leveren voor de verkoop of voor dagelijks gebruik rond en in de boerderij. Zo leverden ze hout voor palen, voor gereedschapsstelen en stookhout. Eikenhakhout leverde bovendien run, een grondstof voor leerlooierijen. De elementen zijn gewoonlijk van het land gescheiden door een sloot, hek of afrastering, om te voorkomen dat vee in de aanplant komt. Veel bomen in hakhoutbeheer staan op elementen die oorspronkelijk om een andere reden zijn aangelegd, zoals een landscheiding, een kade of langs een weg. De termen geriefhout en hakhout worden hieronder door elkaar gebruikt. Een ander woord voor hakhout is strubbe.
Hakhout komt in heel Nederland voor, en is al bekend uit de Middeleeuwen. Van sommige elementen is bekend dat ze al eeuwenlang op dezelfde plaats liggen.
Specifiek elzenhakhout vind je in het strandwallenlandschap van West-Nederland. Vroeger is de oppervlakte aan eikenhakhout aanzienlijk geweest. Overal in de zandgebieden liggen dan hakhoutbossen, de grotere complexen in Brabant, in de Achterhoek en op de Veluwe. Momenteel is de oppervlakte goed beheerd eikenhakhout heel klein: voorbeelden zijn Zeijerstrubben, Kniphorstbos, Schoonloërstrubben en Leusderheide.
|
|
|