Vloeiweide en vloeiveld
Wat en waar
Vloeiweiden zijn graslanden waarover gedurende een bepaalde periode van het jaar water uit een kanaal, beek of rivier wordt geleid. Dit gebeurt met behulp van technische voorzieningen, zoals een toevoerkanaal, sluisjes, greppels en lage walletjes. Gewoonlijk wordt de term alleen gebruikt voor terreinen waar dit gebeurt om de het grasland te bemesten met de dunne laag slib of klei die het water achterlaat. Hiermee wordt het natuurlijke proces nagebootst van de rivier die zijn stroomgebied vruchtbaar maakt en houdt dankzij periodieke overstromingen. Er was meer recent ook een andere reden om bevloeiing uit te voeren: de zuivering van afvalwater. Dat gebeurde bijvoorbeeld met het afvalwater van aardappelmeelfabrieken. Die laatste vorm wordt hieronder consequent aangeduid als vloeiveld, ter onderscheiding van de meer traditionele vloeiweiden.
Vloeiweiden kwamen al in de Vroege Middeleeuwen voor, ter vergroting van de hooiopbrengst op bij rivieren en beken gelegen percelen. Het principe is zelfs overgeleverd in teksten uit 300 voor Christus. Bij Haaksbergen lagen in de Middeleeuwen al vloeiweiden. In de 19e eeuw werd het nog veel toegepast ter bemesting van heidevelden. Na 1855 werd het systeem veel minder populair, het verloor zijn belang door de introductie van kunstmest aan het eind van de 19 eeuw. Van 1890-1910 was er sprake van een opleving toen grootgrondbezitters ermee experimenteerden.
Het gebruiken van oppervlaktewater voor de bemesting van grasland ter vergroting van de hooiopbrengst komt al in de Middeleeuwen in beekdalen voor. Dat gaat dan om een meer primitieve manier van bevloeiing, waarbij de grens met natuurlijke overstromingen niet altijd duidelijk te trekken is. Het systeem kon bijvoorbeeld bestaan uit het plaatsen van obstakels in de bedding. In de 19e eeuw werd dit systeem uitgewerkt en het kreeg een meer intensief karakter, waarbij grote inspanningen werden gepleegd, bijvoorbeeld voor de aanleg van hellingen, aanvoerleidingen en aquaducten.
De variant waarbij het draaide om de reiniging van afvalwater kwam op aan het eind van de 19e eeuw. Bevloeiing wordt in verband hiermee 'een van de eerste infiltratietechnieken' genoemd. Deze variant wordt ook wel reinigingsveld genoemd.
Vloeiweiden komen voor in de Kempen, de Achterhoek, Twente, Drenthe, de Veluwe en in de Gelderse Vallei. Volgens Baaijens zijn vloeiweiden veel ruimer verspreid geweest en komen ze ook in laag-Nederland voor. De argumentatie van Baaijens is niet altijd even overtuigend, waardoor aanvullend onderzoek naar dit fenomeen zeker noodzakelijk is. Zo wordt het voorbeeld aangehaald van het slibrijk water dat vanuit het IJ en het Wijkermeer in de wintermaanden over de aangrenzende veengebied werd gelaten. Feitelijk hebben we hier dan meer te maken met boezemlanden, dus gebieden die tijdelijk een waterbergende functie kregen toebedeeld.
