Achtergronden

Onregelmatig verkavelde gebieden vinden we op plaatsen waar ze in oude ontginningen bewaard zijn gebleven, zoals delen van het terpenlandschap van de zeekleigebieden van Friesland en Groningen, en het rivierengebied. De verkaveling noemen we onregelmatig omdat er geen basis kavelvorm is aan te wijzen; er komen naast elkaar allerlei verschillende vormen voor. De onregelmatige vorm treffen we daarnaast aan bij bijvoorbeeld de essen en kampen op de hogere zandgronden van Nederland. In de beekdalen liggen daar vaak besloten kleinschalige verkavelingen, terwijl de essen grootschalig zijn, zonder zichtbare eigendomsscheidingen. Buiten de landbouwgrond liggen daar de niet ontgonnen woeste gronden, zoals heidevelden. Dat de geschiedenis van een gebied vol verrassingen kan zitten bleek vrij recent bij een onderzoek van het Spreulder en Sprielderbos. Daar er relatief kleine (heide-)ontginningen in het bos voorkomen was al bekend, maar dankzij de nieuwste technieken werden ook resten van celtic fields gevonden; een landbouwmethode uit de IJzertijd. Op de zandgronden komt soms ook een strokenverkaveling voor.
In Zuid-Limburg komen oude ontginningen voor met grote open plateaus op hoger gelegen delen. Op veel daarvan ligt een laag löss over zandige en stenige gronden. Gebieden in de buurt van beekdalen zijn het eerst ontgonnen. Later werden de hogere delen ontgonnen, op de meest onvruchtbare of steile na. Zolang de grond als bouwland werd gebruikt bleef het landschap open. Na de overschakeling naar veehouderij kwamen ook de heggen en werd het landschap meer besloten.

Binnen de regelmatige patronen zijn te onderscheiden:

Blokvorm
Het onderscheid kan gemaakt worden tussen regelmatig blokvormig (minstens twee van de zijden lopen parallel) en onregelmatig blokvormig. Onregelmatig blokvormige verkavelingen komen in verschillende delen van Nederland voor, bijvoorbeeld in gebieden met stroomruggen (rivierengebied) en in de zeekleipolders van Zuidwest- en Noord-Nederland. Door meer recente herinrichtingen van het landschap is dit type wel steeds zeldzamer geworden. Regelmatig blokvormige verkavelingen zijn te vinden in meer recente verkavelingen, zoals in de 17e-eeuwse droogmakerijen in Holland en in latere droogmakerijen (IJsselmeerpolders) en inpolderingen op zeeklei (bijvoorbeeld in de Kop van Noord-Holland).
Onregelmatige blokvormige verkavelingen bevinden zich ook op de iets hoger gelegen zandgronden.
Moderne verkavelingpatronen zijn grootschaliger dan oude vormen, erg regelmatig en gewoonlijk vierkant of rechthoekig. Onder rationeel 'modern' valt dan ook de inrichting van bijvoorbeeld de Beemster en de Purmer, verder uiteraard de verkaveling in nieuwe polders (te beginnen met de Haarlemmermeer). Modern verkaveld zijn ook de nieuwste delen van het zeekleigebied in Groningen, Friesland, Zeeland en Zuid-Holland. Verder geldt dit voor de kop van Noord-Holland, de veenkoloniën in Groningen, Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant (De Peel). In veel van de oude landbouwgebieden is de verkaveling door ruilverkaveling en herinrichting echter ook vaak uniform en grootschalig geworden.

Strook- of Streepvorm
Wanneer de lengte van een kavel minstens twee maal zo groot is als de breedte wordt van strookvormige kavels gesproken. Stréépvormig worden vervolgens kavels genoemd waarvan de lengte minstens vijf maal zo groot is als de breedte. De strookvorm kan regelmatig zijn, met parallel lopende zijkanten, maar er kan ook sprake zijn van een min of meer gérend patroon: de zijkanten van de kavels lopen in een punt uit.
Streepvormige verkavelingen komen voor in laagveenontginningen en in delen van het komkleigebied in de grote rivieren. De strokenverkaveling treffen we aan op veenontginningen in Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Utrecht, Noord- en Zuid-Holland en een gebied in het noorden van Noord-Brabant, bij de Biesbos. Het gérend verlopen van kavelgrenzen kan onopvallend zijn, waarbij het mogelijk wijst op onvoldoende technische vaardigheid. In andere gevallen is het gérende karakter van de ontginning zo nadrukkelijk dat duidelijk is dat dit van meet af aan de bedoeling is geweest. Dat is bijvoorbeeld het geval bij ontginningen waarbij de ontginningsbasis niet lijnvormig was, maar puntvormig. In die punt begonnen alle kavels, die van daaruit steeds breder werden. Opvallend voorbeelden liggen bij Ouderkerk aan de Amstel, Zegveld, Wognum en bij Nieuw-Loosdrecht. Het startpunt van een ontginning kon ook een (hoger gelegen) veenkoepel zijn, daarop zijn dan de sloten gericht. Gerende percelen komen ook voor in zogenaamde restontginningen. Een voorbeeld ligt bij Teckop. Bij sommige wierden (terpen) op het Groningse land komt ook zo'n gerende of beter gezegd radiaire verkaveling voor. Strokenverkaveling vinden we ook op zand- en lössgronden.