Achtergronden

Houtkade
Een houtkade ligt aan de achterkant van een laagveenontginning. Het gaat gewoonlijk om een lage kade waarop bomen staan. Die bomen werden waarschijnlijk beheerd als hakhout. Er komen ook kale kaden voor, de zogenaamde graskaden. In hoeverre dat een meer oorspronkelijke vorm van de kade is, is niet duidelijk.

De kaden zijn aangelegd tijdens de ontginning, om de ontginning te scheiden van onontgonnen en meer natte gebieden. Dankzij de kade hoeft er geen water uit de 'woeste' gebieden afgevoerd te worden via de ontginning. De achterkaden zijn waarschijnlijk net zo oud als de ontginning en zullen dus gewoonlijk dateren uit de Late Middeleeuwen. Regelmatig vormden de kaden zelf de basis voor een nieuwe ontginning. Kwam die ontginning van een andere kant, dan werd soms een nieuwe achterkade tegen de al bestaande aangelegd. Zo ontstond een dubbele kade met een greppel of wetering in het midden. Op die manier kon elke ontginning zijn eigen kade onderhouden en hield men de controle in eigen hand: de watersystemen bleven gescheiden. Zo'n dubbele kade ligt tussen de ontginningen Ruige Weide en Westeinde van Waarder en tussen de polders Hoenkoop en Polsbroek.

Landscheiding
Landscheidingen geven ook de grens aan tussen twee (laagveen-)ontginningen. Ze fungeren daardoor in feite ook als waterscheidingen en werden de grens tussen waterschappen. De bekendste is waarschijnlijk wel de landscheiding tussen Delfland en Schieland. De landscheiding had vaak de vorm van een lage kade, waarop bomen groeiden. Uit oude gegevens blijkt dat er vroeger vaak conflicten waren over beweiding van dit soort scheidingen. Dat doet vermoeden dat er toen geen bomen op stonden, of mogelijk knotbomen. Landscheidingen geven de achtergrens van een ontginning aan en zullen net als de ontginning zelf daarom gewoonlijk uit de middeleeuwen stammen. Hun vorm is vergelijkbaar met die van de houtkade. De term landscheiding wordt ook wel eens gebruikt voor een juridische grens, dus zonder dat er sprake is van een kade in het landschap. De term 'lansing' is een verkorte vorm van het woord 'landscheiding'

Tiendweg
In het rivierengebied van Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland (en in enkele geval in Noord-Brabant) komen tiendwegen voor. Ze liggen parallel aan een rivier (die als ontginningsbasis fungeerde) in onregelmatig gevormde ontginningen (vrijwel nooit in blokvormige cope-ontginningen) op ongeveer eenderde van de diepte van de ontginning. De meeste tiendwegen zijn een of meerdere kilometers lang. In enkele gevallen gaat het om wegen die wat verder van rivieren af op wat hogere gronden liggen, daar zijn ze meestal korter. Vermeldingen van tiendwegen uit de 12e en 14e eeuw zijn bekend, maar sommige zijn recenter aangelegd.

De lange tiendwegen hebben vrijwel altijd aan beide kanten een wetering. Een dwars wetering loopt dan naar een rivier toe. Deze stelsels van een weg met twee weteringen zullen een functie in de afwatering hebben gehad. De tiendweg zelf had waarschijnlijk een kadefunctie: die maakte het mogelijk dat er verschil in waterniveau bestond tussen het water 'binnen' en 'buiten' de tiendweg. Dat kan een tijdelijk niveauverschil zijn geweest, bijvoorbeeld wanneer men in het voorjaar eerst de voorste delen van de percelen ontwaterde en pas later de verder naar achteren gelegen delen. Op die voorste delen kwamen namelijk de meest kwetsbare gewassen te staan, die door de vroege ontwatering bovendien eerder geplant konden worden. Er is weinig met zekerheid bekend over de oorspronkelijke functie van tiendwegen en ook maar in enkele gevallen nauwkeurige informatie over het tijdstip van ontstaan. Van sommige tiendwegen is bekend dat ze later zijn aangelegd, bijvoorbeeld in de 18e eeuw. Waar de naam 'tiendweg' vandaan komt is nog niet met zekerheid vastgesteld.

Veel tiendwegen en weteringen kregen later een andere functie. Vaak zijn ze nog wel verbonden met een afwateringssysteem. Op tiendwegen kwamen vanaf ongeveer 1400 vaak molens te staan en de weteringen waren