Beheer, behoud, ontwikkeling

Aantastingen en bedreigingen
Onverhard gebleven tiendwegen, houtkaden en landscheidingen zijn het meest oorspronkelijk, maar die worden ook vaak het sterkst bedreigd, want ze kunnen bij het land getrokken zijn of door verwaarlozing veel smaller zijn geworden of zijn doorgebroken. Soms zijn deze elementen door andere oorzaken verloren gegaan, bijvoorbeeld door turfafgraving. Andere wegen of kaden hebben een belangrijke verkeersfunctie gekregen en zijn geasfalteerd, of zijn door een recent aangelegde weg bedekt.

Agrarisch gebruik kan ook leiden tot aantasting van de weg of kade, bijvoorbeeld door vertrapping door vee. Ook kan het feit dat de weg bereikbaar is voor vee of zelfs gebruikt wordt voor begrazing een gevaar zijn voor de aanwezige aanplant, zeker als die jong is of recent afgezet.

Behoud/consolidatie
Landscheidingen, achterkaden en tiendwegen (die hieronder samen kortweg worden aangeduid als 'kaden') kennen verschillende vormen. Er zijn onverharde, halfverharde en verharde, en er zijn kaden met hakhout, met knotbomen en met opgaand hout, terwijl andere alleen zijn begroeid met gras en kruiden. Andere varianten betreffen het wel of niet aanwezig zijn van een of twee weteringen. Als er één wetering langs de kade ligt is niet altijd duidelijk of dit een oorspronkelijk beeld weergeeft of dat de tweede wetering ooit gedempt is. Ook wil het naast elkaar liggen van een kade en een wetering niet zeggen dat ze tegelijkertijd zijn aangelegd.

Staan er knotbomen op of langs de kade zet die dan gefaseerd een keer in de drie à vier jaar af. Eventueel kunnen de bomen het eerste jaar na het knotten nog gestikt worden: op vijf tot elf staken na worden de nieuw gegroeide takken verwijderd. Staat er hakhout op de kade (dat zijn vaak elzen, maar essen komen ook voor, en struikvormers zoals vlier en roos), zet dat één keer in de ongeveer zes jaar af. Verder is er als de kade recreatief gebruikt wordt vaak onderhoud nodig aan hekken, overstapjes, bruggetjes en bewegwijzering. Om overlast door distels en brandnetels te voorkomen is aan maaiwerk is dan gewoonlijk twee keer per jaar het open maaien van het pad (tegen distels en brandnetels) voldoende. Het maaisel blijf nu meestal liggen, doordat de kade slecht berijdbaar is en vaak meerdere kilometers lang. Dit veroorzaakt verruiging. Als afruimen echt niet mogelijk is, kan de verruiging mogelijk beperkt worden door met een aantal broeihopen te maken. De oeverzone kan het best ongemoeid worden gelaten of alleen in het najaar een keer worden gemaaid. De sloot wordt gewoonlijk vanaf de aanliggende landbouwpercelen geschoond. Het is belangrijk dat er niet veel bagger op de kade of tiendweg wordt gestort.

Is de weg onverhard, probeer dat zo te houden. Dreigt de weg te verdwijnen door afslag of graafwerk van muskusratten, onderzoek dan de mogelijkheid van het aanleggen van een (wilgentenen) beschoeiing, liefst gecombineerd met vanginstallaties.

Opvallend is dat het beheer van het hout op zo'n kade vaak van boer tot boer verschilt. De een zet er essen op die laag worden afgezet, een ander kiest voor knotbomen of op kniehoogte afgezette wilgenstoven of elzen. Dit had uiteraard te maken met het doel dat de boer met het hout voor ogen had. Ook zijn er graskaden waar geen hout op staat. Dit is kenmerkend voor veel landscheidingen.

Restauratie
Van kaden waarvan bekend is dat ze vijftig of honderd jaar geleden nog drie meter of meer breed waren zijn nu soms nog maar smalle delen over. Het komt voor dat delen zijn weggeslagen. Om meer schade te voorkomen is het belangrijk dat de openingen en de zwakke plekken worden opgevuld en aangevuld. Een complicatie is dat aan beide kanten van het weg of kadegedeelte gewoonlijk een (vrij) breed water ligt. Dat betekent dat het nieuwe kadelichaam beschoeid moet worden. Ook is het verstandig een voorziening te treffen om nieuwe beschadiging door bijvoorbeeld muskusratten te voorkomen. Dat kan door vangpijpen in het kadelichaam aan te brengen, die regelmatig gecontroleerd worden. Belangrijk is ook dat de waterweg waarlangs de ratten de kade bereiken wordt afgesloten met een stuk raster en vangkooien.
Bij restauratie van de aanplant is een probleem dat er zoveel verschillende vormen van aanplant en onderhoud bestaan. Bij de boeren zal wanneer het om kale kaden gaat vaak weerstand bestaan tegen het (opnieuw) beplanten van het element. Ook kan het uit oogpunt van weidevogelbescherming ongewenst zijn dat er hoog opgroeiend hout op de weg komt te staan. Om de historische lijn beter zichtbaar te maken in het landschap zou er Wanneer bekend is dat de kade in het verleden begroeid was met struiken of bomen zou gekozen kunnen worden voor de aanplant van struiken die niet al te hoog of breed worden. Daarmee wordt de historische lijn beter zichtbar in het landschap. Te denken valt aan soorten als vuilboom, gewone vlier, sleedoorn, Gelderse roos, grauwe wilg, bittere wilg en katwilg. Kies dan soorten die traditioneel voorkomen in de regio waar het landschapselement ligt.

Reconstructie
De reconstructie van deze kaden zal vaak een symbolisch karakter hebben. Het kan al heel betekenisvol zijn wanneer bijvoorbeeld een tiendweg die inmiddels anders is gaan heten opnieuw de naam tiendweg krijgt. Ook kan aan een pad dat wordt aangelegd in de buurt van een verdwenen kade de oude naam gegeven worden, om het landschap beter 'leesbaar' te maken. Wellicht is het ook mogelijk in nieuw in te richten gebieden de plaats waar eens een kade lag die locatie aan te geven door de aanleg van een pad, een groenzone of bijvoorbeeld een heg of sloot.

Behoud door ontwikkeling
Al is de natuurwaarde van deze kaden meestal niet erg groot, ze kunnen wel een functie krijgen in een nieuw te realiseren ecologische verbinding. Deze ontwikkeling vormt een basis voor het beheer en herstel van deze lijnvormige landschapselementen. Het meest kansrijk zijn de onverhard gebleven kaden. Dankzij hun bomen en struiken kunnen ze in een verder gewoonlijk kaal (geworden) veenweide landschap een link zijn tussen geïsoleerde terreinen met natuurwaarde. De combinatie van een kade met een of twee weteringen kan functioneren als zowel een natte als een droge verbindingszone. De oeverzone kan waardevol zijn voor insecten of vogels en bomen en struiken bieden dekking en voedsel voor migrerende dieren. Oude bomen en knotbomen kunnen een nest en rustplaats bieden aan uilen.

Onverharde kaden zijn daarnaast erg in trek als wandelroute op verharde of semi-verharde wegen wordt veel gefietst. Voor deze recreatieve functie hebben is vaak wel enige intensivering van het beheer noodzakelijk.