Achtergronden

Wat functie betreft kunnen huisterpen, dorpsterpen en handelsterpen onderscheiden worden. Op de laatste werd een min of meer langwerpige nederzetting gebouwd. Een voorbeeld hiervan is de terp van Dokkum. Huisterpen komen veel voor langs rivieren, dorpsterpen in zeekleigebieden. Dorpsterpen konden ook ontstaan doordat dicht bij elkaar gelegen huisterpen met elkaar verbonden werden.
Wierden zijn sterk verbonden met ossengangen (in Groningen) en soms een radiale structuur van de kavels. Dat waarschijnlijk alleen op plaatsen waar de aanleg van de terp samenviel met de ontginning van de rondom gelegen streek. In Zeeland ontbreken terpen.

De locatie van een terp werd in sterke mate bepaald door de mogelijkheden die ter plaatse aanwezig waren voor agrarische activiteiten. De terpbewoners waren voor hun levensonderhoud voor een belangrijk deel aangewezen op landbouw. De hier gebruikelijke vormen van landbouw richtten zich zowel op de voortbrenging van voedsel- en gebruiksgewassen als op de instandhouding van een veestapel. De hoogteligging en de waterhuishouding waren dus zeer belangrijk voor de keuze van een bewoningslocatie. De akkers lagen het hoogst: op de hogere oeverwallen en kwelderruggen.
Ook de randen van de terpen zelf waren in gebruik als akkerland. De weilanden bevonden zich op de lagere delen van de kwelders. De weg rondom een terp wordt een ossenweg genoemd.
De terpen in het Rivierengebied zijn juist na de bedijking opgeworpen, toen een dijkdoorbraak tot hogere overstromingen leidde dan in het eerdere onbedijkte landschap.

Een groot aantal terpen is vanaf de 19e eeuw afgegraven voor de winning van terpaarde.

Terpen zijn zeer kenmerkend voor het noorden van het land, het Kampereiland en delen van het gebeid van de grote rivieren. Ze zijn in het landschap verbonden met oude woonplaatsen zoals nederzettingen en boerderijen, historische infrastructuur, dijken, kaden, rivieren, boerenerven en begraafplaatsen.

Hieronder volgt een aantal definities van bij terpen en wierden horende termen.

• Belt
De term belt wordt in sommige streken gebruikt voor terpen, bijvoorbeeld op het Kampereiland.

• Dobbe
Bovenop de terpen kwam vaak een poel voor die zorgde voor zoet water: de dobbe. Ze worden ook fething, fait of vate genoemd.

• Dorpsterp
Een dorpsterp is gemaakt voor de bescherming van een dorp. In de ontstaanstijd ging het vaak om een klein aantal primitieve woningen, bijvoorbeeld vier. Een dorpsterp kon ook ontstaan doordat verschillende huisterpen bij elkaar werden gevoegd. Door de voortdurende ophoging van terpen werden die immers ook steeds breder, waardoor de tussenliggende ruimte kleiner werd.

• Handelsterp
Wanneer het gebied niet meer zelfvoorzienend is of er en surplus aan producten ontstaat kan een dorp mede gesticht worden om van daaruit handel mogelijk te maken, bijvoorbeeld over de Zuiderzee of naar de Oostzee. Deze terpen waren langwerpig en er werden niet-agrarische gebouwen op gezet. Handelsterpen zijn bijvoorbeeld Bolsward en Dokkum.

• Huisterp
Een huisterp is een terp die is gebouwd voor één huis. Ze komen in het rivierengebied veel voor, bijvoorbeeld op het Kampereiland en daarnaast in West-Friesland.

• Ossengang
Aan de voet van een aantal wierden of terpen liep in sommige gevallen een cirkelvormig onverhard pad. Dat is de zogenaamde ossengang. Die werd door de boeren die op de wierde woonden gebruikt om met de ossen op hun land te kunnen komen. Dit verschijnsel is verbonden met de wierden die het middelpunt vormen van een radiaire structuur.

• Spitbult
In Friesland komt ook de naam 'spitbult' voor. Hiermee worden miniterpjes bedoeld, die tenminste 0,5 meter hoger liggen dan de omgeving, en waarop het vee droog kon liggen. Deze werden ook gebruikt als tijdelijke woonplaats bij seizoensarbeid.

• Veenterp
In het veengebied zijn lage terpjes aangelegd om droog te kunnen wonen in een gebied dat van nature erg nat was en bovendien door maaivelddaling steeds natter werd. Veenterpjes werden ook wel opgeworpen voor tijdelijke bewoning, bijvoorbeeld in het kader van hooiwinning, vervening, beweiding of ontginning (seizoensarbeid).

• Wierdesloot
Een wierdesloot is een rondom de wierde lopende sloot, parallel aan de ossengang.