Achtergronden
Voor er sprengen bestonden werden natuurlijke beken gebruikt om watermolens aan te drijven. Sprengen zijn herkenbaar doordat ze altijd wat hoger lopen dan het laagste punt van de beekdalen: ze gaan niet door het laagste punt. Dat betekent dat er ook een dijklichaam nodig is om de spreng naar de molen te kunnen geleiden. Na 'gebruik' van het water werd het gewoonlijk weer naar een oorspronkelijke beek gevoerd. De begrippen boven en onderbeken ontstonden daardoor.
Sprengkoppen en sprengbeken zijn onderdeel van een stelsel met meer elementen. Zo zijn er de al genoemde dijken, bruggetjes en onderhoudspaden. Onderdeel van het stelsel zijn ook wijerds (stuwvijvers) waarin het water dat uit de sprengen komt wordt verzameld. Soms treffen we houten schotten aan en bij bepaalde toepassingen (resten van) molenplaatsen. Sprengen maakten in enkele gevallen deel uit van een parkaanleg en waren onderdeel van het ontwerp.
In duingebieden liggen duinrellen. Dat zijn gegraven watergangen waarmee (overtollig) water uit de duinen versneld wordt afgevoerd, soms met de bedoeling het water buiten het duingebied te gebruiken voor het besproeien van akkers. De duinrellen zijn vaak kaarsrecht en hebben geen 'kop'.
