Achtergronden

Akkercomplexen maakten deel uit van een gesloten landbouwsysteem. De productie van mest was binnen dit systeem essentieel. Dit landbouwsysteem kende verschillende vormen: strooisellandbouw en plaggenlandbouw.
Vermoedelijk sinds de ijzertijd tot in de 20e eeuw vond strooisellandbouw plaats. Hierbij werd maaisel van heide en bladeren met stalmest vermengd en op de akkers gebracht. Daarmee werd de vruchtbaarheid verhoogd terwijl het land nauwelijks ophoogde.
Vanaf de volle middeleeuwen is op de intensief gebruikte en minder vruchtbare zandgronden geleidelijk de plaggenlandbouw ontstaan. In eerste instantie waren dit dunne plaggen met een zeer kleine hoeveelheid minerale grond. Dit gebeurde met een plaggenzicht. Vanaf de 17e eeuw werd er steeds meer zandige ondergrond meegestoken. Vanaf de 18e eeuw raakte de potstal in gebruik. In een potstal stond het vee in het verdiepte gedeelte. Hier werden dagelijks strooisel en plaggen aangebracht over de vers geproduceerde mest. Als het verdiepte gedeelte vol was, werd de stal uitgemest en het mengsel op de akker gebracht.
De andere vorm van plaggenlandbouw ontstond op de meest intensief gebruikte zandgronden (vooral in Brabant). Hierbij werd zoveel zand op de akkers gebracht dat er sprake was van zandwinning. Hier en daar zijn bij oude boerderijen en op de heide nog zandgaten te herkennen. Akkercomplexen uit deze tijd zijn sterk verhoogd. Door deze praktijk zijn de zuidelijke akkercomplexen anders van karakter dan die in de rest van Nederland.

In welke mate de es is verhoogd, lag sterk aan het soort plaggen en de plaatselijke bodemvruchtbaarheid. Op plaatsen met een lemige ondergrond was plaggen minder noodzakelijk, omdat de bodem daar zelf al vruchtbaar was. Op complexen waar veel zandige plaggen zijn opgebracht, vaak in het potstalsysteem, worden essen gekenmerkt door de zogenaamde enkeerdgronden en steilranden. In het zuiden van Nederland heeft over het algemeen meer ophoging plaatsgevonden dan in het noorden. De essen kunnen wel bedekt zijn met 50 tot wel 120 centimeter laag dikke voedselrijke grond. Onderzoek is nog gaande over de ouderdom en dikte van esdekken.

Akkercomplexen met plaggenbemesting komen voor in grote delen van Noordwest-Europa. De Vlaamse en Noordwest-Duitse akkercomplexen lijken in uiterlijk en gebruik het meest op de Nederlandse. Verder komen langs de Atlantische kust in Noord-Portugal, Spanje, Frankrijk, Zuidwest-Ierland, Cornwall, Schotland en Noorwegen deze complexen voor, evenals in Jutland. Men vermoedt dat plaggenlandbouw ook in Oost-Duitsland, Polen, Litouwen en Zuid-Zweden is voorgekomen.

Duinakker
De (jonge) duinen zijn lang beschouwd als 'woeste gebieden' die hooguit wat opleverden als er konijnen werden gehouden (in zogenaamde warandes) of er naar eieren werd gezocht. Pas aan het eind van de 18e begin 19e eeuw is de mogelijkheid onderzocht om de duinen voor de landbouw te gebruiken. Het ontginnen van de duingebieden op grote schaal mislukte. De grond bleek te schraal en de konijnenvraat onoplosbaar. Op zogenaamde duinakkers of aardappellandjes vond wel landbouw op kleine schaal plaats. Deze kleine privékampjes dateren uit de 19e eeuw en werden door bewoners voornamelijk gebruikt voor de aardappelteelt. Ze werden bemest met zeewier, schelpen en visafval. Langs de rand lagen als perceelscheiding smalle ruggen van duinzand. Geleidelijk verloren ook deze akkertjes hun economische betekenis en werden ze verlaten. Het patroon van de rechthoekige akkertjes, van elkaar gescheiden door lage walletjes duinzand, is nog te herkennen.

Es
De bevolkingsgroei in de volle middeleeuwen (ca 1000-1300) zorgde voor een verandering in de bedrijfsvoering van de boeren op de zandgronden. Het bos werd steeds intensiever gebruikt voor beweiding en transformeerde steeds meer tot een monocultuur van heide. De veestapel groeide en zorgde voor een toename van mest voor de akkers. De essen leverden een hogere graanopbrengst, zodat de bevolking kon groeien. Met de verstedelijking nam de teelt van handelsgewassen zoals vlas, gerst en hop toe.
Vanwege de toegenomen mogelijkheden voor bemesting breidden de complexen zich uit. Essen zijn waarschijnlijk ontstaan uit samenvoeging van meerdere kampen. Er ontstonden grote akkerbouwcomplexen met verschillende namen: essen (Drenthe, Overijssel), engen of enken (Utrecht, Gelderland) en velden of akkers (Brabant, Limburg). In Friesland heten ze gaasten. Deze zijn meer verwant aan de Hollandse geesten dan aan essen. Sporadisch komt ook wel de Vlaamse benaming kouters voor.

Een es kenmerkte zich door een zekere mate van openheid. Om een es stond in de regel een houtwal (de eswal) tegen vraat door vee of wild. De interne verdeling van een es bestond uit perceeltjes. Ondanks de openheid, kenden essen een kleinschalige en veelal onregelmatige percelering. Als perceelsscheiding werden lage walletjes, stenen of solitaire bomen gebruikt. De akkers werden dichtbij nederzettingen aangelegd. Het natuurlijk reliëf was hierin bepalend. Op de hogere delen bevonden zich de akkers, wat lager de weiden en in het beekdal de hooilanden.

De rand van een es of kamp wordt in geval van een esdek gemarkeerd door een hoogteverschil ten opzichte van het omliggende land. Vandaar de term bolakker of bolle akker die in Brabant hier en daar gebruikt wordt. Soms komt het hoogteverschil tot uiting in een steilrand. Oude wegen in deze gebieden kenmerken zich door een lagere ligging ten opzichte van het opgehoogde omliggende akkerland.
In het zuiden van het land zijn veel akkers na verloop van tijd afgeschoven om beekdalen te vullen. Dit gebeurde met zogenaamde molborden. Op deze wijze kwam meer land beschikbaar voor akkerbouw.

Geest
In het West-Nederlandse duingebied heeft zich een eigen ontwikkeling afgespeeld die in een aantal opzichten lijkt op van de situatie op de hogere zandgronden in Nederland. De geesten waren gelegen op de hogere delen van de strandwal. Ze ontstonden in de vroege middeleeuwen in de lengterichting van de strandwal en waren in de breedte verkaveld. De geest werd omzoomd met een houtwal en een weg. Aan het begin en einde van de geest liepen de wegen naar elkaar, waardoor de geest in een markant punt uitliep. Blokvormige geesten zijn vaak latere ontginningen.
Aan de wegen rond de geest lagen de boerderijen, met op de lage natte delen weiden. De geesten werden soms behalve door mest ook met strooisel en plaggen verrijkt. Het strooisel bestond uit schelpen en zeewier afkomstig van de kustreep en maaisel uit de duinen.

Haaymeet
Een haaymeet (Goeree) of haaiman (Walcheren en Schouwen) was een in het duinlandschap gelegen akker van 2 tot 5 hectare, ontstaan na het afgraven van de bovenste laag zand. De oorsprong ligt in de vroege middeleeuwen. Haaimeten werden oorspronkelijk omgeven door schurvelingen: walletjes van circa 1 meter hoog met aan weerszijde een greppel en begroeid met ondoordringbaar (essen)hout. Ze dienden als vee- en wildkering (zie ook het beheermodel Houtsingel en Houtwal). De schurvelingen zijn op een enkele uitzondering na verdwenen. Dit komt doordat de haaymeten vaak zijn uitgegraven om dichter bij het grondwater te komen. Het weggegraven zand werd langs de akkers over de schurvelingen opgeworpen. Deze veranderden zo in zandwallen of hoagten. In veel gevallen ligt de oorspronkelijke schurveling dus nog onder een jongere zandwal.

Kamp
De ontginningen in de vroege middeleeuwen waren veelal eenmansontginningen, de zogenaamde kampen. Meestal lagen deze percelen aan of rond een boerderij en waren voor eigen gebruik. Ze werden bemest met mest van eigen vee en strooisel. In latere tijden werden er heideplaggen opgebracht. Door deze ontwikkeling zijn de kampen door de jaren heen steeds verder opgehoogd met een mineraalrijke grond. . De dikte van de enkeerdgronden zegt slechts globaal iets van de ouderdom van de akker. Een dunnere laag kan namelijk ook het gevolg zijn van een vruchtbaardere ondergrond met een lagere mestbehoefte. Bovendien zijn over het algemeen de dekken minder dik naarmate ze verder van de boerderij lagen.
De kampen waren omgeven door een houtwal of houtsingel om het vee en wild buiten te houden. Kenmerkende gebieden met kampen en verspreid liggen boerderijen zijn de Achterhoek, Twente en de Gelderse Vallei.

Kromakker
In het rivierengebied komen de kromakkers voor met een kenmerkende gebogen kavelvorm. Men schrijft deze vorm toe aan het voortijdig wenden van de ploeg in zware grond. Bewijs hiervoor is echter nooit gevonden. Op kromakkers heeft, voor zover bekend, nooit ophoging met minerale gronden plaatsgevonden. Vergelijk ook de wendakkerrug.

Steilrand of eswal
Een steilrand of eswal is de afscheiding van een hoger gelegen akkercomplex met het lager gelegen land. De steilranden waren dikwijls begroeid met hagen, struwelen en bomen als knoteiken.

Wendakkerrug
Een wendakkerug is een smalle verhoging op een es die het einde van een voormalige kavel markeert. De door ossen of paarden getrokken ploegen konden de laatste strook land niet bewerken. Er was ruimte nodig om de ploeg te keren op de zogenaamde wendakker. Omdat de ploeg elk jaar de grond een stukje verplaatst, vond aan de rand van de kavel een ophoping van grond plaats. Zo ontstond een aarden walletje. Vergelijk ook de kromakker.