Oude akkercomplexen
Wat en waar
Oude akkercomplexen hebben twee kenmerkende verschijningsvormen. De eerste is de kamp, een kleine afgebakende, door een boer gebruikte akker. Deze wordt vaak omgeven door houtwallen of -singels en is onregelmatig van vorm. De tweede is de es. Dit is een groter akkercomplex dat door meerdere boeren gebruikt werd. Er bestaat een grote verscheidenheid aan vormen en namen van akkercomplexen in verschillende delen van Nederland. De naam es is de meest algemeen gebruikte aanduiding, naast eng, enk, bolakker, veld, kouter, geest, gaast of kromakker.
In de vroege middeleeuwen (500-1000 na Chr.) ontstonden de eerste kleine individuele kampontginningen. In de volle middeleeuwen (1000-1300 na Chr.) groeide de bevolking en intensiveerde de landbouw. Het akkerbouwareaal nam in oppervlakte toe. De eerste essen ontstonden, als complexen van samengevoegde kampen.
De bodemvruchtbaarheid van de kampen en essen werd vergroot door er dierlijke mest vermengd met plaggen -afkomstig van de woeste gronden- aan te brengen. Hierdoor zijn de kenmerkende dikke esdekken en steilranden ontstaan. De dikte varieert, afhankelijk van de hoeveelheid zand in de plaggen: van minder dan 30 centimeter tot meer dan 1 meter.
Akkercomplexen komen voor op alle niet te natte zandgronden. De oudste kampen en essen zijn te vinden op de overgang van hoog naar laag land, of op zandkoppen of -ruggen te midden van lager land. De hellingen van stuwwallen en keileemplateaus en rivierterrassen zijn kenmerkende plaatsen. Ook op dekzandruggen en strandwallen (de oude duinen) vormden zich al vroeg akkercomplexen, evenals in de Zuid-Limburgse lössgebieden.
