Achtergronden

Mottes kunnen kunstmatig zijn aangelegd in gebieden waar geen natuurlijke hoogten aanwezig zijn: op de opgeworpen hoogte werd daarna een houten of stenen toren of huis gebouwd. De oppervlakte van de top van een motte was vaak heel beperkt. Rond de top van een motte stond een palissade. De onderzijde van sommige mottes waren voorzien van een grondkerende muur om verzakking tegen te gaan. Daarnaast bestaan de zogenaamde abschnittsmottes, waarbij door het vrijgarven van een heuvel uit een natuurlijke hoogte een verdedigbare locatie ontstond. Het huis dat op mottes gebouwd werd was in eerste instantie niet meer dan een houten toren, later werden de bouwsels mogelijk van steen en werden ze, als daar ruimtevoor was op de top, meer complex. Gewoonlijk werd om die hoogte een gracht aangelegd. De hoeve of hof op de motte kon uitgebreid worden met een zogenaamde voorhof, waar opnieuw een gracht omheen lag.
De grootste motte van Nederland ligt in het Montferland. De gracht is daar 4 tot 5 meter diep en ongeveer 12 meter breed. Daar buiten liggen twee brede aarden wallen Bij de aanleg van de motte is gebruik gemaakt van een natuurlijke hoogte, die met minstens zeven meter is opgehoogd tot de huidige heuvel van een meter of 15.
Als er bovengrondse resten zijn van een bouwwerk, dan zijn die beschermd door Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Is er alleen een kale 'berg' over, dan is de motte vaak een archeologisch monument, waarbij ongestoord laten van het bodemarchief de voorkeur verdient. De daar aanwezige informatie wordt daarmee geconserveerd en blijft beschikbaar voor toekomstig onderzoek met meer geavanceerde methoden en technieken. Sommige mottes worden eveneens of alleen beschermd door de Rijksdienst voor de Monumenten zorg. Door de fusie van beide rijksdiensten zal het beschermingsregiem naar verwachting worden vereenvoudigd.

Van de vliedbergen in Zeeland werd lange tijd aangenomen dat ze een vluchtmogelijkheid boden voor mens en dier in tijden van overstromingen, maar tegenwoordig wordt er van uit gegaan dat het hier in feite om mottes gaat en dat op die verhogingen ooit ook een versterking heeft gestaan. De basis voor die mottes zijn lage woonterpen geweest, die dateren uit de 11e eeuw. In de 12e en 13e eeuw zijn die opgehoogd tot hun huidige hoogte van ongeveer 10 meter en zijn er grachten omheen gegraven. Resten van die grachten zijn bij sommige vliedbergen nog te vinden. Vliedbergen komen alleen in Zeeland voor. Vroeger telde Zeeland ongeveer 135 vliedbergen, waarvan er nu nog 36 bewaard zijn gebleven. De meeste liggen op Walcheren en Zuid-Beveland. Een enkele is nog te vinden op Schouwen-Duiveland, Tholen en Zeeuws-Vlaanderen.

Andere woorden voor een motte zijn bolberg (Limburg) of kasteelberg. In Friesland komen de termen hege wier en stinswier voor.