Achtergronden
De ouderdom van houtwallen en wildwallen loopt sterk uiteen. Veel houtwallen zijn aangelegd tijdens de ontginningsperiode. In Oost-Nederland zijn al boerderijen bekend uit de Middeleeuwen. Elke boerderij had een bouwlandkamp, we kunnen aannemen dat die toen al door houtwallen werden omgeven. Tot in de 19e eeuw gebeurde dat ook nog bij nieuwe ontginningen. Er is een verband tussen de ouderdom van een houtwal en het aantal soorten bomen en struiken dat er in staat: oudere wallen zijn gemiddeld wat rijker aan soorten.
Het wel of niet aanwezig zijn van houtwallen en houtsingels geeft informatie over het vroegere functioneren van het landschap. In natte gebieden krijgen sloten de kerende en scheidende functie van houtwallen. Houtwallen zijn kenmerkend voor het kampenlandschap en voor heideontginningen.
Regionaal bestaan er verschillen in ouderdom en functie van houtwallen. Wildwallen aan de randen van de Veluwe dateren bijvoorbeeld op zijn laatst uit de 16e eeuw en zijn in de 18e eeuw hersteld. In een onderzoek naar houtwallen in een deel van het Kromme Rijngebied wordt geconcludeerd dat ze wellicht vanaf de 16e eeuw zijn aangelegd, om afscheidingen van dood hout te vervangen. Door levend materiaal te gebruiken leverden de wallen zelf ook nog hout op.
Betrouwbaar en duidelijk kaartmateriaal waarop houtwallen te onderscheiden zijn bestaat pas sinds de eerste helft van de 19e eeuw. Ze laten zien dat het overgrote deel van de houtwallen tenminste anderhalve eeuw oud is. Daarna kende de aanleg van houtwallen nog een laatste opleving toen gemeenschappelijke heidevelden werden opgedeeld. De komst van draadversperringen en vooral van prikkeldraad (in het begin van de 20ste eeuw) maakten een einde aan de aanleg. Sindsdien zijn erg veel houtwallen, wildwallen en houtsingels verdwenen.
Opvallende elzensingels liggen in de Langstraat, langs de randen van nat grasland. De smalle percelen hebben een waardevolle schrale vegetatie. Bekend zijn ook de singels in het Noordoosten van Friese wouden. Ze liggen vaak aan weerszijden van een sloot en overschaduwen het water, zodat er weinig planten groeien, wat het onderhoud vergemakkelijkt.
Moderne singels liggen in de Noordoostpolder rond de boerderijen. Bij de indeling van de polder waren er regels geformuleerd over de breedte van deze singels en over het assortiment van de aan te planten soorten. Dat leidde samen met de standaard maten voor de oppervlakte van de erven en het gebruik van vastgestelde modellen voor huis en schuur tot een opvallend 'planmatig' landschap.
Hieronder volgt een aantal definities van specifieke soorten houtwallen
en houtsingels.
• Boswal
De term boswal wordt gewoonlijk alleen gebruikt voor wallen die zijn aangelegd om eigendomsgrenzen in een bos of een aan te planten bos aan te geven of de grens tussen een bosperceel en de weg. Veel boswallen zijn te vinden in het Nederrijkswald bij Nijmegen.
• Eswal
Een eswal is een lage wal rond een es of kamp. Met die wal en de bijbehorende greppels werd wild buiten het bouwland gehouden.
• Houtsingel
Een houtsingel is een lijnvormige aanplant van bomen of struiken. Er zijn eenrijige houtsingels, die echter wanneer de struiken de ruimte krijgen toch vrij breed kunnen worden en meerrijige houtsingels. Kenmerkend is dat er geen bosachtige 'donkere' kern in voorkomt, waardoor er geen echte bosbiotoop kan ontstaan. Houtsingels lijken veel op houtwallen, alleen is bij houtsingels geen sprake van een opgeworpen wal en zijn singels vaak smaller dan houtwallen.
De singels leverden bovendien brand- en geriefhout, waaraan in het gemengde bedrijf grote behoefte was. Omdat de boer verschillende diktes hout nodig had, werd een uitgekiend beheer gevoerd. Hij zorgde er voor dat er altijd op zijn bedrijf bomen en struiken van verschillende ouderdom aanwezig waren. Dit
noemen we hakhoutbeheer, waarbij verdeeld over het gebied of over de eigendommen van de boer, jaarlijks een deel van de singels tot aan de basis van de stammen wordt teruggezet. In het gebied zijn hierdoor elzensingels van alle leeftijdsklassen aanwezig, van recent gekapt tot aan de oogstbare leeftijd van 20 tot 25 jaar.
Houtsingels in combinatie met een sloot komen voornamelijk voor op laaggelegen zandgebieden met een hoge grondwaterstand en op overgangen van zeeklei of veen naar zand. Ze worden als hakhout beheerd, maar in sommige streken ook als knotboom (o.a. de Gelderse Vallei). Elzensingels komen specifiek voor in het Groninger Westerkwartier, de Friese Wouden en het aangrenzende voormalige veengebied bij Drachten en Heerenveen, de Gelderse Vallei en de Brabantse Langstraat. Kleinere gebieden met elzensingels vind je op veel plaatsen op de overgang van zandgebieden naar veen (zoals in de omgeving van Staphorst en Rouveen) en in voormalige veengebieden (bijvoorbeeld Vriezenveen).
Het Friese Woudengebied is het belangrijkste elzensingellandschap van ons land. Ze vormen hier samen met de eveneens bewaard gebleven houtwallen (dykswâlen) een prachtig landschap, dat nog geheel door boeren wordt beheerd. Landschapsbeheer Friesland heeft een 'Veldgids landschapselementen Noardlike Fryske Wâlden' uitgebracht, met daarin beschreven de kenmerken en vooral het praktisch beheer van deze waardevolle landschapselementen (De Boer 2003).
Ook de randbeplanting rond erven wordt vaak houtsingel genoemd. Zie voor een interview hierover het hoofdstuk Boerenerven.
• Houtwal/wildwal
Bij een houtwal is sprake van een door de mens opgeworpen zandlichaam waarop bomen of struiken groeien. De wallen dienden om vee binnen of wild buiten het omgeven gebied te houden. Ging het vooral om het buiten de akkers houden van wild, dan worden het ook wel wildwallen genoemd. Langs houtwallen zullen vaak aan één of beide zijden greppels hebben gelegen. De wallen waren waarschijnlijk tussen de 50 en 100 centimeter hoog.
Veel houtwallen liggen om akkers. Andere liggen aan weerszijden van een veedrift: het op die drift lopende vee wordt tijdens de dagelijkse gang van de stal naar de te begrazen velden daarmee buiten de bossen en akkers gehouden. In dat geval is de wal dus nauw verbonden met de aanwezigheid van een veedrift of heerdgang waarover het vee dagelijks werd geleid. De walkant aan de kant van de drift is steiler dan die aan de nadere kant. Een houtwal kan ook dienen om het vee buiten het bos te houden, bijvoorbeeld in de eerste jaren na het afzetten van het hout. Op de houtwallen stond doorgaans eikenhakhout. Gekozen werd voor eiken omdat die waardevol hout leverden, ze werden in hakhoutbeheer gehouden omdat dat de enige manier was om de begroeiing op de wal ondoordringbaar te maken.
Bijzonder zijn de houtwallen langs beken in Twente en de Achterhoek. Met die houtwalbeken werd het water naar vloeiweiden geleid (zie hoofdstuk Vloeiweiden).
• Landweer
Wat nu een houtwal lijkt kan bij nader onderzoek een (deel van ) een landweer blijken te zijn.
Dan gaat het om een wal die in de late Middeleeuwen is aangelegd als grensmarkering om een gebied . Zie het hoofdstuk Schansen en landweren.
• Zandwal en schurveling
Ook een bijzonder type wal zijn de zandwallen op Goeree-Overflakkee. Hier gaat het om vrij hoge en brede wallen tussen relatief kleine akkertjes in het duinlandschap. De zandwallen zijn ontstaan bij het afgraven van de bovenste laag van de akker. Dit gebeurde om dichter bij het grondwater te komen: daardoor werden of bleven de akkers (zogenaamde haaymeten) geschikt voor akkerbouw. Het afgegraven materiaal werd op wallen gezet aan de zijkanten - en soms ook 'kopse' kanten van de haaymeet.
Ouder dan deze zandwallen zijn de veel lagere schurvelingen: die dateren uit de Middeleeuwen. Ze bestaan uit een lage wal waarop bomen staan, bijvoorbeeld elzen, en werden opgeworpen met zand uit greppels die erlangs lagen. Schurvelingen fungeerden als perceelsscheiding en als bescherming tegen stuifzand. Er zijn maar heel weinig authentieke schurvelingen over, onder andere omdat er later zandwallen overheen zijn gelegd, met name in de 19e eeuw. Dergelijke zandwallen, die ten onrechte ook vaak schurvelingen worden genoemd, zijn er nog wel vrij veel op Goeree-Overflakkee. Er groeit gras op, maar vaak eveneens een aantal bomen, met name eiken en grove dennen en struiken als brem, braam en vlier.
Het landschap met schurvelingen, haaymeten en zandwallen komt buiten die regio en buiten Nederland niet voor. Daarom wordt er een hoge cultuurhistorische waarde aan toegekend.
