Achtergronden
Fruitbomen worden niet vaak ouder dan honderd jaar, maar de locatie waarop een boomgaard zich bevindt kan uiteraard al veel langer voor dat doel worden gebruikt. Boomgaarden kwamen al in de Middeleeuwen voor bij kloosters en kastelen en er werd toen ook al geteeld voor de handel.
Toen de prijzen voor fruit flink stegen tussen 1850 en 1900 nam de oppervlakte fruit toe. De prijzen van andere landbouwproducten daalden, en er ontstonden in de fruitteelt gespecialiseerde bedrijven. Rond het midden van de 20ste eeuw was de fruitteelt opnieuw een goede inkomensbron en de oppervlakte boomgaarden werd nog verder uitgebreid. In Gelderland stond in 1949 20.000 hectare boomgaard en alleen al in Zuid-Limburg zo'n 15.000. Er was inmiddels wel een omvorming naar lagere kweekvormen op gang gekomen. Bovendien kwam het steeds minder vaak voor dat de aanplant gemengd was, met bijvoorbeeld een blijvers-wijkers systeem van kersen of pruimen en appels, of een onderbeplanting van bessenstruiken. Hele bedrijven werden ingericht op de productie van één bepaald fruitras.
Na 1950 was er sprake van een sterke versnelling in de vervanging van hoogstamvormen door laagstamvormen. Na het van kracht worden van de Europese rooipremieregeling in 1970 verdween in korte tijd in Nederland ongeveer 19.000 hectare aan oude boomgaarden. In heel Nederland staat nu nog minder dan 2000 hectare! Grote productieboomgaarden met hoogstambomen zijn er nog maar heel weinig, al vindt er op kleine schaal wel aanplant plaats, bijvoorbeeld om een omvorming te realiseren van laagstam naar hoogstam.
Vooral in voormalige fruitstreken komen nog een aantal bij boomgaarden horende zeer kenmerkende elementen voor, zoals singels en heggen in Zuid-Limburg, windsingels in het rivierengebied. Opvallend is in die gebieden ook het gebruik van fruitbomen in andere aanplantvormen, zoals in erfbeplantingen, als laan beplanting langs wegen of lange opritten, en in sommige gevallen zelfs als leibomen voor of naast de boerderij. Andere bij de boomgaarden horende elementen zijn fruitschuren, boerenerven, buitenplaatsen en veilinggebouwen.
Boomgaarden hebben een relatie met de bodemsoort en andere fysisch-geografische omstandigheden. Ze komen voor op plaatsen die niet te drassig zijn waar de grond liefst wat klei of löss bevat. Interessant is het voorkomen op zogenaamde overslagwaaiers: daar is over de zware komklei een laag zand, afkomstig uit het wiel, afgezet, waardoor de omstandigheden daar geschikt werden voor fruitteelt.
