Beheer, behoud, ontwikkeling
Aantastingen en bedreigingen
De belangrijkste bedreiging is het verlies van de economische functie. Doordat de bomen geen geld meer opbrengen is er sprake van veroudering van de bomen. De laatste aanplant op enigszins grote schaal dateert uit de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Die bomen zijn nu een jaar of zestig, zeventig oud en beginnen uit elkaar te vallen. Vaak worden opengevallen plekken niet meer ingeplant.
Er bestaat angst bij professionele fruittelers voor verspreiding van ziekten door min of meer in beheer achterblijvende bomen langs bijvoorbeeld wegen of bij niet-professionele fruittelers. De nieuwe wetgeving over het gebruiken van 'gewasbeschermingsmiddelen' kan ook een bedreigende factor zijn voor hoogstamfruitbomen. Zo mogen nu bomen die binnen een aantal meters van sloten staan niet meer bespoten worden. Fruittelers die zijn overgeschakeld op laagstam fruit hebben vaak nog wel een rand hogere bomen laten staan, bijvoorbeeld als windsingel. Ze bespuiten die wel, om te voorkomen dat ze fungeren als intermediair voor schadelijke insecten en andere gevaren. Nu dat niet meer is toegestaan is de kans groot dat zij besluiten tot het rooien van die laatste resten hoogstam.
Beheeropties
Behoud en consolidatie
Het beheer kan het best gericht zijn op behoud van de boom. Dat betekent dat voorkomen moet worden dat delen van de boom te zwaar worden en afscheuren van de stam, of dat de boom zelfs in zijn geheel omwaait. Een meer intensief beheer zou samenhangen met het streven naar een zo
groot mogelijke opbrengst. Dat is te verdedigen met het argument dat het behoud van een boomgaard gemakkelijker is wanneer de boomgaard door een grote opbrengst financieel voordeel oplevert. Die opbrengst moet dan wel groot genoeg zijn om het arbeidsintensieve plukken te financieren.
Voor het behoud van de boom is belangrijk dat voorkomen wordt dat zich boven in de boom al te zware en dikke takken gaan ontwikkelen. Dit is vooral te verwachten bij perenbomen, in nog sterkere mate wanneer de boom ooit getopt is. Maar ook op de zijtakken, de zogenaamde gesteltakken, moet geen groot gewicht aan verticaal groeiende takken staan (bijvoorbeeld oud waterlot) omdat die zijtak dan afbreekt.
Een boom met een erg dicht gegroeide kroon is bovendien gevoeliger voor windworp, de wind moet gemakkelijk door de kroon heen kunnen blazen. Een open kroon levert gezondere bomen en mooiere vruchten op. Hout dat binnen de kroon naar binnen groeit moet daarom weggesnoeid worden, net als parallel aan elkaar groeiende of schurende takken. Daarnaast moet ook voorkomen worden dat er takken groeien uit de onderstam, die vaak uit een sneller groeiende soort of bijvoorbeeld een zaailing bestaat. Dat gaat namelijk ten koste van de groei in het bovenste deel van de boom en verstoort het beeld van hoog opgroeiende stammen met een hoge kroon.
Daarnaast moeten takken die besmettingsverschijnselen van bijvoorbeeld bacterievuur of vruchtbomenkanker vertonen gesnoeid en verwijderd worden, omdat ze anders de rest van de boom en andere bomen kunnen besmetten. Na de snoei moet het snoeiafval afgevoerd worden, omdat het een bron van besmettingkan zijn.
Bij pruimen kan het een probleem zijn dat takken te lang worden en daardoor te zwaar beladen zijn met vruchten, waardoor ze afbreken. Bij het beheer moeten daarom lange hangende pruimentakken worden ingekort. Dit moet aansluitend aan de pluk gebeuren, omdat in de winter het gevaar bestaat dat de pruimenboom via verse snoeiwonden wordt besmet het loodglans.
De vegetatie onder de bomen is vaak niet erg bijzonder of soortrijk. Begrazing lijkt hier de beste oplossing, waarbij gekozen moet worden voor schapen, omdat paarden, koeien en geiten zich vroeger of later op de bomen zullen storten, waardoor die dood gaan of ernstig beschadigd raken. Een alternatief is het maaien van het gras. Afvoeren van het maaisel is daarbij waarschijnlijk niet echt zinvol, of men zou de overlast van brandnetels moeten willen beperken.
In natte of slecht afwaterende gebieden, bijvoorbeeld op komklei, liggen boomgaarden soms nog op rabatten: kunstmatig gemaakte 'bedden' waarop de bomen staan, met daartussen lage parallel lopende greppels. Het is belangrijk dit stelsel goed te onderhouden. Voorkom dus dat er takken in de greppels worden gestort.
Andere elementen die bij boomgaarden horen zijn hakhoutsingels, hagen, rijen knotbomen, en soms windsingels die bestaan uit fruitbomen die als haagvormige leibomen worden beheerd.
Restauratie
In oude boomgaarden zijn vaak gaten gevallen doordat uitgevallen bomen niet vervangen zijn. Ook kan een singel die de boomgaard omringde niet langer gesnoeid of als hakhout beheerd zijn, waardoor de bomen te zwaar werden en zijn omgehakt omdat ze te veel schaduw wierpen op het fruitbomen. In dit geval kan door restauratie het oude beeld worden hersteld. Dat betekent dat er weer fruitbomen worden ingeplant op de opengevallen plaatsen en dat de singel wordt aangevuld met nieuwe aanplant.
Hierdoor ontstaat een boomgaard met bomen van verschillende leeftijden, wat goed is voor de continuïteit. Kies voor soorten die al in de boomgaard voorkomen, of voor soorten die in de buurt staan. Ook kan het belangrijk zijn dat op de bestuivingeigenschappen van de bomen wordt gelet.
Goede periodes voor het verrichten van nieuwe aanplant zijn het najaar, nadat de bomen hun blad hebben verloren en het vroege voorjaar: februari of maart. Het moet plaatsvinden op vorstvrije dagen. Het plantgoed moet tijdens het vervoer en een eventueel kort durende opslag beschermd worden tegen uitdroging van de wortels. Dat kan door de wortels te beschermen met een plastic zak of door liggend plantgoed te bedekken met bijvoorbeeld een zeil. Voor de boom wordt een plantgat gegraven van 80 bij 80 en 80 centimeter tot zelfs 1 kubieke meter. Het plantgat moet zo ruim zijn dat de wortels er wijd in kunnen worden uitgespreid. Aan de windzijde, op ongeveer 15 centimeter van de boom, wordt een boompaal geplaatst waaraan de jonge aanplant met een brede band wordt bevestigd. Die paal wordt gezet vóór de boom in het gat staat, om beschadiging van de wortels te voorkomen. Vaak worden twee palen bij een fruitboom gezet, tegenover elkaar. De bast van fruitbomen wordt graag gegeten door dieren, daarom moet wanneer er begrazing plaatsvindt of er gevaar is van wildvraat een beschermende korf om de boom worden geplaatst.
Is de kroon niet overal even goed ontwikkeld, zet dan bij de aanplant het deel met de kleinste takken aan de lichtzijde: het zuiden of westen.
Reconstructie
Bij de reconstructie wordt een boomgaard aangelegd op een plaats waar die wel ooit stond, maar inmiddels volledig of vrijwel volledig verdwenen is. Er zijn veel percelen waarop nog enkele fruitbomen voorkomen en waar herstel van een complete boomgaard mogelijk is. Zo zijn er ook wegen waarlangs nog een enkele fruitboom staat terwijl de bewoners zich herinneren dat er ooit lange rijen stonden. Dat soort locaties zijn heel geschikt voor de reconstructie van de aanplant. Informeer bij (oude) bewoners van de streek naar de soorten die streekeigen zijn en neem die als uitgangspunt. Veel informatie kunnen ook de pomologische verenigingen geven, die vaak regionaal georganiseerd zijn. Pas ook de aanplant rondom de boomgaard aan aan de lokale gewoonten. Volg bij de aanplant de instructies zoals die hierboven staan onder Restauratie.
Behoud door ontwikkeling
Er is sprake van een groeiende waardering voor de hoogstamboom, vooral vanwege zijn grote landschappelijke waarde. Ook worden verschillende oude rassen weer populair. De organisaties voor Landschapsbeheer speelden op deze ontwikkelingen in met de actie 'Houd de bongerds hoog'.
De bestaande subsidieregelingen bieden mogelijkheden voor het aanplanten van nieuwe hoog stamboomgaarden en voor het behoud van bestaande. Vaak wordt daarvan geprofiteerd door stadsbewoners die op een boerderij gaan wonen waar een groot erf of soms nog een of twee hectaren grond bij horen. Maar ook bij professionele fruittelers komt omvorming van laagstam boomgaarden naar hoogstam voor, bijvoorbeeld omdat zij een Skal-keurmerk (certificatie voor biologische productie) voor hun fruit willen. Er is de laatste jaren sprake naar een toegenomen vraag naar onbespoten fruit en naar oude fruitrassen. De laagstambomen worden dan soms gehandhaafd zolang ze voldoende opbrengst geven, terwijl in de tussentijd de ertussen geplante hoogstammen in hun vorm worden gesnoeid.
Een mogelijkheid bieden bovendien allerlei vormen van sponsoring. Bedrijven of particulieren kunnen aanplant of onderhoud van een hoogstamboom sponsoren, of een boom 'adopteren', waarmee ze het recht krijgen de vruchten van die boom te plukken. In Duitsland zijn op die manier al grote boomgaarden aangelegd. Hetzelfde kan bereikt worden door de opbrengst van bomen 'op stam' te veilen. In Ruinerwold gebeurt dat ten behoeve van een goed doel, maar het geld zou ook in onderhoud en aanplant van de bomen zelf kunnen worden gestoken.
Hoogstamboomgaarden hebben daarnaast waarde voor recreatie en toerisme. Kamperen bij de boer kan heel goed onder hoogstamfruitbomen. De aanplant verstrekt ook de identiteit van een streek of gemeente. In verschillende regio's worden in het voorjaar 'bloesemtochten' gehouden.
