Achtergronden

Het huidige reliëf in het Zuid-Limburgse heuvellandschap is het resultaat van de natuurlijke dalvorming tijdens het pleistoceen. De eerste bewoners van Zuid-Limburg bouwden hun nederzettingen in de beekdalen. Vanuit deze dorpjes trokken de boeren naar de hoger gelegen akkers op de plateaus. Meestentijds werden daarvoor als verbindingsweg de minst steile delen van de helling gebruikt. Op den duur ontstond hier een begaanbaar pad. Daarin verzamelde zich het regenwater, dat op zijn weg naar beneden erosiemateriaal meenam. Dit erosieproces versnelde door het keer op keer loswoelen van de bodem door de hoeven van het vee.
In de middeleeuwen ontstonden op de plateaus dochternederzettingen van de dorpen in de dalen (vaak gekenmerkt door -rode en -rade namen). Door deze ontwikkeling werden de holle wegen in toenemende mate gebruikt en sleten ze steeds dieper uit. Gemiddeld twee centimeter per jaar. Bij een flinke onweersbui kon dit wel enkele tientallen centimeters bedragen. Uit oude kaarten blijkt dat zelfs de laatste honderd jaar nog holle wegen zijn ontstaan.

De diepte en lengte van holle wegen varieert sterk. De diepte is afhankelijk van de hellingshoek, de lengte van de helling, de grondsoort, het onderhoud en de mate van gebruik. Er zijn holle wegen van een halve meter diep en twintig meter lang, maar er zijn er ook van tien meter diep en twee kilometer lang. De wegen zijn meestal komvormig met op de diepste delen zeer steile wanden die soms zelfs iets overhangen.

In de middeleeuwen namen bestuurders al maatregelen om het voortgaande proces van erosie niet uit de hand te laten lopen. Zo vaardigde de Prinsbisschop van Luik in 1416 richtlijnen uit voor het onderhoud van de holle wegen. Na een regenbui moesten de ontstane geulen weer worden opgevuld met materiaal uit het wegdek en dienden er naast de weg kleine afwateringssleuven aanwezig te zijn.

Over het vroegere beheer van de taluds is niet veel bekend. Veel taluds waren begroeid met grassen, kruiden en struiken. Die taluds werden tot aan de Tweede Wereldoorlog regelmatig afgegraasd door rondtrekkende kudden van Mergellandschapen. Na het verdwijnen van deze vorm van taludbeheer, raakten veel holle wegen begroeid met bomen en struiken zoals de hazelaar, rode kornoelje, vlier, sleedoorn, wilg en zoete kers.

Op andere taluds was men overgegaan tot de aanplant van populier, esdoorn, iep en acacia. Deze bomen werden regelmatig afgezet en het vrijkomende hout gebruikt als brand- en geriefhout. Deze wijze van beheer kwam in grote lijnen overeen met het hakhoutbeheer van de hellingbossen. De bomen en struiken werden selectief gekapt. Hier en daar spaarden men een zogenaamde 'overstaander'. Zo werkte iedere beheerder volgens een eigen hak-, snoei- en knotcyclus en ontstond een grote variatie tussen deze landschapselementen.

Buiten Zuid-Limburg komen holle wegen weinig voor, aangezien de hellingen minder steil zijn en de ondergrond niet uit het fijne löss bestaat. Daardoor vond er minder erosie plaats. Veel holle wegen buiten het Limburgse Heuvelland liggen langs oude handelsroutes, die lang en intensief zijn gebruikt.

In Zuid-Limburg (en op enkele plaatsen daarbuiten) komen ook aan holle wegen verwante landschapselementen voor, namelijk graften, grubben en gatsen. Hieronder volgt een korte beschrijving van deze elementen.

Graften
Graften zijn met bomen en struiken begroeide steilranden op akkers die erosie moeten voorkomen. Over de oorsprong van bestaan twee verklaringen. De eerste is dat de dichte hagen van sleedoorn en meidoorn zijn geplant langs de hoogtelijn van de akker. Materiaal dat van de helling afspoelde, werd door die haag tegengehouden, terwijl juist aan de onderzijde grond kon wegspoelen. Zo zouden op een hellend vlak terrassen zijn ontstaan, die van elkaar waren gescheiden door een begroeide steilrand, de graft.
Anderzijds blijkt uit recent onderzoek, dat juist de terrassen zouden zijn aangelegd, waarbij op de overgang van de oorspronkelijke bosbegroeiing gespaard gebleven zou zijn. Samen met de spontaan ontkiemde bomen en struiken zou zo een graft zijn ontstaan.
Buiten Zuid-Limburg zijn op een enkele plek in Nederland graften te vinden, zoals op de stuwwallen bij Nijmegen en Rhenen.

Grubben of grachten
In het oostelijke gedeelte van het Limburgse heuvelland liggen diepe V-vormige dalen, grubben genaamd. Deze dalen zijn een gevolg van de in het verleden sterk uitschurende werking van regen en dooiwater. In het noordoostelijke deel van het Geulrandgebied dragen deze grubben de benaming grachten. Soms kan in een grubbe een weg lopen en is er dus sprake van een holle weg. Het onderscheid tussen een grubbe en een holle weg is dan lastig te maken.

Gatsen
De holle wegverbinding tussen een hoger gelegen deel naar een iets lager plateau kreeg de naam gats. Bij deze gatsen is de waterafvloeiing in het algemeen veel geringer dan bij een grubbe of gracht. Het hoger gelegen deel vormde weliswaar een verzamelbekken voor het water, maar dit water bleef niet lang staan. Voorbeelden van gatsen zijn De gats in Mingersborg bij Ubachsberg en De Felisgats in Hulsberg.