Achtergronden

Historische wegen zijn verbonden met allerlei andere landschapselementen en vormen hiermee ensembles. Deze verbinding verhoogt de waarde van de afzonderlijke elementen. Te denken valt aan dijken, bruggen, voorden, veerpontlocaties, oude dorpen, tolhuizen en voormalige uitspanningen. Ook landschapselementen zoals poelen liggen vaak langs oude wegen (in dit geval bedoeld voor het drenken van paarden en ossen). Ook militaire versterkingen zoals landweren, schansen dienden vaak voor de verdediging van toegangswegen. Wegbegeleidend waren ook structuren als vee-, wildwallen en heggen. Daarnaast werden wegen in gebieden waar wateroverlast mogelijk was begeleid door sloten of greppels.
Historische wegen zijn vaak aangelegd met het oog op een specifieke functie. Dat blijkt onder andere uit de opsomming van een aantal typen wegen en paden hieronder.

• Doodweg
Een doodweg is een weg tussen een dorp en het dichtstbijzijnde kerkhof. Ze worden ook lijkweg genoemd. Ze komen onder andere voor in de Duin- en Bollenstreek van Noord- en Zuid-Holland, het Gooi en op de Veluwe. Enkele geïsoleerde gevallen zijn te vinden in andere provincies zoals in Groningen (Oostum) en Overijssel (Onna). De doodweg was traditioneel 6 of 8 voet breed, een voet is ongeveer 30 centimeter.

• Hessenweg
Er zijn maar vijf 'officiële' hessenwegen in Nederland. Ze werden aangelegd vanaf het begin van de 17e eeuw om de wagens die met koopwaar uit Hessen ( het huidige Rijnland-Westfalen) kwamen een eigen route te geven tot ver in Nederland. Die Hessische wagens waren namelijk breder dan de in Nederland gebruikte en hadden dus ten eerste een extra brede weg nodig om elkaar te kunnen passeren. Ze zouden bovendien de sporen van de andere karwegen door hun bredere spoor stuk rijden. De Hessenwegen liggen allemaal ten oosten van de stad Utrecht.

• Holle weg
Holle wegen komen vooral voor in Zuid-Limburg (waar ze ook wel graat of greet heten). Toch treffen we ze ook in heuvelachtige zandlandschappen zoals Twente, de Veluwe en Midden-Limburg aan. Ze zijn in het algemeen ontstaan doordat mensen door afstromend water uitgesleten geulen gingen gebruiken als weg tussen de beekdalen en de omringende hoge delen, zoals plateaus.

• Jaagpad
Jaagpaden zijn smalle paden langs vaarten, aangelegd voor mensen en paarden die schuiten moesten voorttrekken. In de zeventiende eeuw werd een stelsel van trekvaarten en jaagpaden aangelegd in laag Nederland. Het ging vooral om personenvervoer tussen de grote steden in het westen en het midden van het land. Met jaagpaden verbonden zijn rolpalen, waarlangs de treklijn liep, en paardentillen of kwakels, bruggetjes waarmee de paarden op een jaagpad aan de andere kant van het water of langs een afslaand water konden komen. Ook langs rivieren konden jaagpaden liggen, zo is langs de Maas bij Neer bij extreem laag water een stuk jaagpad zichtbaar.

• Jachtweg of Koningsweg
In de 17e eeuw zijn door koning-stadhouder Willem III wegen aangelegd om zijn jachtgebieden op de Veluwe snel te kunnen bereiken. Deze jachtwegen of koningswegen lopen zowel vanuit zijn paleizen op de Veluwe als vanuit de residentie in Den Haag. Deze wegen waren breed en indrukwekkend, mede door de laanbeplanting en de voetpaden die vaak naast de weg liepen.

• Karrenspoor
Een karrenspoor is een spoor waarover een kar met paard zich verplaatste. Ze liggen op veel plaatsten als een insporing of smalle geul die door paardenhoeven is gemaakt in losse of modderige grond. Het spoor van de kar is gewoonlijk minder goed herkenbaar: twee parallelle afdrukken van de wielen, een meter uit elkaar. Er zijn brede complexen ontstaan van naast elkaar en over elkaar liggende karrensporen, waarbij steeds werd gezocht naar het op dat moment het best begaanbaar spoor. De sporen zijn nog herkenbaar aan verkleuringen in de bodem en door het micoreliëf. Ze worden nog steeds ontdekt doordat bijvoorbeeld een stuk heide wordt afgeplagd. Ze zijn vaak middeleeuws maar sommige dateren uit de Bronstijd en IJzertijd. Bundels karrensporen liggen bijvoorbeeld bij de Ginkelse heide en op het Balloërveld. De laatste dateert uit de IJzertijd. Een karrenspoor kan tot bijna een kilometer breed worden doordat naast een bestaand spoor werd gereden nadat het door water of verstuiving onbruikbaar was geworden. Verbonden met karrensporen zijn markante punten in het landschap waarop voerlieden zich oriënteerden (grafheuvels, torens, markante bomen) en doorwaadbare plaatsen.

• Kerkenpad
Een smal voetpad tussen de landerijen dat werd aangelegd om bewoners van het platteland de mogelijkheid te geven via een zo kort mogelijke route naar de dichtstbijzijnde kerk - of de dichtstbijzijnde kerk van hun keuze - te lopen.

• Napoleonsweg
Napoleonswegen zijn aangelegd in of kort na de Bataafse en Franse tijd in Nederland (1795-1813). Deze wegen zijn onderdeel van een plan van Napoleon Bonaparte om de uiteinden van zijn rijk door brede wegen met Parijs te verbinden. Via die wegen zouden legers snel verplaatst kunnen worden. In ons land was een weg tot aan Den Helder gepland, terwijl een weg naar Bremen ook gedeeltelijk door het huidige Nederland liep. Voor 1813 werden slechts kleine delen van die tracés verwezenlijkt. Het bekendste voorbeeld is de Napoleonsbaan (N271) op de rechter Maasoever.

• Paardenpaadje
Een paardenpadje is een smal pad gemaakt van klinkers, waar een paard over kan lopen. De wielen van de wagen lopen naast de verharding. De benen van het paard zouden wegzakken in het mulle zand van de duinen. Dankzij de grip die het kreeg op de klinkers trok het paard de kar wél door het zand. In de regio's midden en zuid van Staatsbosbeheer ligt nog zo'n 135 kilometer paardenpad.

• Postweg
Postwegen maakten onderdeel uit van het wegennetwerk van de Koninklijke Nederlandse Paardenposterijen, een vervoersorganisatie die tijdens de Franse bezetting in het leven was geroepen. Deze wegen mochten alleen gebruikt worden door de koetsen voor personen- en goederenvervoer van de Paardenposterij en de Estafettepost die het brieventransport verzorgde.

• Romeinse weg
Romeinse wegen zijn verharde wegen die zijn aangelegd in de Romeinse tijd. Dat gebeurde in de eerste plaats voor militaire en bestuurlijke doeleinden, maar ze zullen ook de handel hebben vergemakkelijkt. Ze zijn doorgaans verhard met puin of grind en voorzien van een of twee bermgreppel(s). Vaak hebben ze een opvallend recht verloop, maar op die regel komen ook uitzonderingen voor. Een voorbeeld is de Romeinse weg bij Swalmen en de Limesweg bij Vleuten-De Meern.

• Tiendweg
Een tiendweg bestaat uit een weg of lage kade tussen twee watergangen. De wegen komen vrijwel alleen voor in Laag-Nederland in het gebied van de grote rivieren. De oorspronkelijke functie van dit stelsel van een weg plus twee weteringen is niet met zekerheid bekend. Omdat het waarschijnlijk een waterstaatkundige functie was worden tiendwegen behandeld in het hoofdstuk Tiendwegen, houtkaden, landscheidingen.

• Veedrift
Een veedrift is een weg waarover dagelijks vee werd gedreven van de schaapskooi of stallen in of bij het dorp naar de weidegronden. Als het om schapen gaat wordt de weg vaak schapendrift genoemd. Vaak heten ze ook koeweg, veeweg, veestraat of schaapssteeg.
Een andere naam voor een veedrift is een heerdgang ('heerd' betekent dan kudde, vergelijk het Engelse 'herd'). Op enige afstand van de weg liggen veewallen, die voorkomen dat het vee de drift verlaat. Veedriften kunnen tientallen meters breed zijn.

• Voorde
Op plaatsen waar wegen beken over rivieren kruisden, bereikte men de overkant via zogenaamde voorden: natuurlijke ondiepten in de rivier. In sommige gevallen werden voorden met steen verhard, de zogenaamde steenvoorden. De aanwezigheid van een vroegere voorde klinkt nog terug in vele plaatsnamen: Lichtenvoorde, Coevorden, Amersfoort.
Voorden komen nog (sporadisch) voor in Zuid-Limburg, in de Geul, de Mechelerbeek, de Selzerbeek en in de Gulp. In de zandgebieden liggen er ook nog enkele. De meeste zijn echter vervangen door bruggen of pontveren.