Achtergronden
Aan vaarwegen is een breed scala van cultuurhistorische aspecten verbonden. Verschillende daarvan staan hieronder nader beschreven.
Bakenboom
Bakenbomen zijn meestal populieren die op regelmatige afstand aan weerszijde langs de zomerbedding van een rivier of beek staan om bij hoogwater de vaargeul te markeren. In Nederland groeien ze voornamelijk nog langs de Maas. Bakenbomen staan evenals andere bomen en struiken in de uiterwaarden onder druk omdat die in het kader van Ruimte voor de Rivier zo leeg mogelijk dienen te blijven.
Beek
Al eeuwen zijn beken in gebruik voor transportdoeleinden. Beken zijn relatief eenvoudig aan te passen aan de eisen van de mens en volledig natuurlijk verlopende beken zijn een zeldzaamheid in ons land. Soms heeft een gegraven watergang de naam beek gekregen, terwijl het een verbinding tussen natuurlijke laagten betreft, dus een wetering. Die verwarring leidde er zelfs toe dat het in het kader van natuurherstelprojecten is voorgekomen dat in plaats van een rechtgetrokken beek de nabij gelegen wetering werden voorzien van meanders.
Jaagpad
Een jaagpad is een verhard of onverhard pad langs een waterloop waarover mensen en paarden de schepen voorttrokken. Een jaagpad lag zo dicht mogelijk langs het water, zodat er geen hinderlijke obstakels tussen het pad en de waterloop stonden. Bijna alle kanalen en vaarten van vóór 1850 hadden langs tenminste één zijde een jaagpad. Bij kruisingen van vaarten lagen bruggetjes (kwakels of tillen) om van jaagpad te kunnen wisselen.
Naast hun functie voor het waterverkeer waren jaagpaden vaak ook relatief efficiënte landverbindingen. Zij werden dan ook veel gebruikt door reizigers te voet of te paard.
Kanaal
Ver voor de jaartelling zijn er kanalen aangelegd in Mesopotamië, India en China. In Nederland waren de Corbulogracht en de Drususgracht de eerste door Romeinse veldheren gegraven waterlopen. De Corbulogracht verbond de mondingen van de Maas en de Oude Rijn. De Vliet tussen Leiden en Rijswijk is er een restant van. De locatie van de Drususgracht is onzeker. Deze heeft ofwel de Rijn met de Vecht bij Utrecht verbonden, ofwel de Rijn met de Gelderse IJssel.
Vanaf de 10e eeuw is er met behulp van sluizen en dammen in West- en Noord-Nederland een complex systeem van kanalen aangelegd. In de nieuwe tijd (1500-1750) werd dit systeem uitgebreid met onder andere trekvaarten en de ringvaarten die dienden om het water uit grote droogmakerijen af te voeren.
In de 19e eeuw liet Koning Willem I, de koopman-koning, kanalen graven om het goederentransport te stimuleren, vooral tussen de opkomende industriegebieden. Een aantal plannen is minder goed uit de verf gekomen, vanwege de snelle ontwikkelingen in deze periode. Zo zijn rond Amsterdam binnen zestig jaar twee kanalen min of meer afgedankt. Na de opening van het Noordhollandsch Kanaal van Amsterdam naar Den Helder in 1824 raakte het al snel verouderd, omdat de groter wordende schepen het kanaal steeds moeilijker konden bevaren. Al in 1826 werd daarom begonnen met het Goudriaankanaal dat de Amsterdamse haven met de diepere delen van de Zuiderzee moest verbinden. De aanleg van dit kanaal werd al in 1828 gestaakt vanwege een nieuw plan: het Noordzeekanaal. Het Noordhollandsch Kanaal dient nu vooral de pleziervaart en van het Goudriaankanaal resten in Waterland en op Marken slechts de contouren.
Opvaart
In Friesland en Groningen maakte de vele sloten het moeilijk er wegen aan te leggen. Veel boerderijen waren dan ook alleen per boot bereikbaar. Het vervoer van en naar de boerderijen liep via opvaarten, sloten die de individuele boerderijen verbonden met doorgaande wateren. In het Friese Westergo zijn hier nog mooie voorbeelden van te vinden.
Rivier
Veel menselijke ontwikkelingen zijn afhankelijk geweest van de aanwezigheid van natuurlijke rivierlopen. Zo zijn veel steden ontstaan bij riviermondingen en op plaatsen waar een landroute een rivier kruist. Door de eeuwen heen is de mens de rivier steeds meer naar zijn hand gaan zetten. Vanaf de middeleeuwen hebben er bedijkingen plaatsgevonden en zijn er jaagpaden aangelegd om boten bij tegenwind stroomopwaarts te kunnen trekken. Langs de zomerbedding van de rivieren zijn eeuwenlang bakenbomen geplaatst. Vooral in de 19e en 20e eeuw zijn er veel ingrepen gedaan om de grote rivieren niet alleen veiliger, maar ook beter bevaarbaar te maken. Zo zijn veel scherpe meanders afgesneden en kribben aangelegd om de stroomgeul te versmallen.
De omgeving van de rivier heeft altijd veel specifieke activiteiten gekend. Zo zijn er in de uiterwaarden de steenfabrieken voor de baksteenfabricage. Deze activiteiten hebben grote gaten achtergelaten in het landschap. Langs de Maas in Midden-Limburg heeft er veel grindwinning plaatsgevonden, waardoor er uitgestrekte plassen zijn ontstaan (zie beheermodel Delfstofwinning). Andere elementen zijn oude bruggen, veerstoepen en ponten.
Rolpaal
Her en der staan in scherpe bochten van trekvaarten nog rolpalen, soms in oude luister hersteld. Dit zijn palen met een verticaal geplaatste rol, waarachter het sleeptouw geslagen werd om te voorkomen dat bij het jagen de boot tegen de wal zou worden getrokken.
Trekvaart
In de 17e eeuw werd in laag Nederland een stelsel van trekvaarten ingericht ten behoeve van het personenvervoer. Het idee werd het eerst toegepast tussen de Vlaamse steden. De trekvaart Amsterdam-Haarlem was in 1632 de eerste speciaal gegraven waterloop voor het personenvervoer via trekschuit. Eind 17e eeuw waren bijna alle grote Hollandse en Utrechtse steden met elkaar verbonden en ook in Groningen en Friesland lag een uitgebreid netwerk. Daarbuiten lag een klein netwerk tussen Kampen, Zwolle en Hasselt en tussen Arnhem en Nijmegen.
De trekvaarten betekenden een ware revolutie voor het personenvervoer. Nergens kon men zich zo snel en comfortabel verplaatsen als met de trekschuit. De schuiten werden voortgetrokken door paarden. Er was nauwelijks oponthoud omdat de trekvaarten vaak niet of nauwelijks voor andere doeleinden gebruikt werden. Tot de introductie van de stoomtrein in de 19e eeuw hadden de trekvaarten een ongekende invloed op het personenvervoer.
Turfvaart
Turf is een brandstof die in grote hoeveelheden verbruikt werd in de steden. Al in de 12e eeuw is men in West-Brabant begonnen de venen af te graven voor de turfproductie en zijn de eerste turfvaarten gegraven voor het vervoer naar de Vlaamse en Brabantse steden. Tot ongeveer 1750 is hier turf gestoken, waarna bijna elk spoor van deze praktijk is verdwenen. De overblijfselen van de turfvaarten zijn vaak niet meer dan smalle slootjes.
In Groningen, Friesland, Drenthe en Overijssel zijn de venen vanaf de 17e eeuw op grote schaal afgegraven. Men is er tot en met de Tweede Wereldoorlog mee doorgegaan. Hier zijn de kanalen vaak nog goed herkenbaar, evenals de hiërarchie. Er waren de hoofdvaarten waarop de vele wijken (kleinere vaarten) aansloten die het veengebied doorsneden. De turfvaarten hadden ook een belangrijke afwateringsfunctie, zodat ze ook na de vervening nog een functie behielden.
De turfvaarten waren bescheiden in omvang, met uitzondering van enkele hoofdaders. Vaak waren ze maar 1 meter diep en tussen de 5 tot 10 meter breed. Men voer er met platbodems, getrokken vanaf de jaagpaden.
Zanderijvaart en inundatiekanaal
Vanaf de Gouden Eeuw heerst er in de Hollandse steden grote behoefte aan bouwzand. Omdat dit in de veen- en kleigebieden niet voorhanden was, werden oude duinen en strandwallen en delen van het Gooi afgegraven. Voor het vervoer zijn speciale vaarten aangelegd: de zanderijvaarten.
In het Gooi had de afgraving ook een militair doel. Rondom de Vesting Naarden werd veel grond afgegraven om een vrij schootsveld te krijgen en kanalen aangelegd om het gebied onder water te kunnen zetten. Een dergelijke functie hadden speciaal daarvoor aangelegde inundatiekanalen ook elders bij diverse militaire stellingen. Bekend voorbeeld is het Valleikanaal in de Gelderse Vallei.
