Historische vaarwegen

Wat en waar

De ontwikkeling van Nederland heeft voor een groot deel samengehangen met het transport over water. Voor het vervoer van goederen, vee en mensen is altijd veel gebruik gemaakt van rivieren, beken, veenstromen, kanalen, vaarten, tochten en wijken. Rivieren, beken en veenstromen zijn natuurlijke wateren, dikwijls aangepast om bevaarbaar te zijn, de overige genoemde vaarwegen zijn gegraven. Naast transport is de aan- en afvoer van water een belangrijke functie van vaarwegen. Binnen stedelijk gebied hebben grachten een belangrijke functie vervuld. Deze vallen echter buiten het bestek van dit handboek.

Al in de Romeinse tijd zijn rivieren bevaarbaar gemaakt en nieuwe waterwegen gegraven. Vooral in West-Nederland vormden ze een dicht netwerk. Mede hierdoor konden de steden in dit deel van Nederland na de middeleeuwen een sterke groei doormaken. Vanaf de 15e eeuw vormden de Hollandse waterwegen - veelal voormalige veenstromen - de ruggengraat van het binnenlandse transport.

Vanaf de middeleeuwen werden vaarten aangelegd voor het transport van turf en zand naar de steden. De eerste turfvaarten (in West-Brabant) stammen al uit de 12e eeuw en waren georiƫnteerd op de Vlaamse en Brabantse steden. De aanleg van turfvaarten ging in de veenkoloniƫn van Drenthe en Groningen door tot in de 20e eeuw. Van de 17e eeuw werden speciale trekvaarten aangelegd met jaagpaden, waarop volgens een dienstregeling personenvervoer plaatsvond. Tot die tijd vond personenvervoer over grotere afstanden vooral plaats over onverharde wegen. Dit betekende een enorme revolutie, pas overtroffen met de aanleg van de spoorwegen.
In de 19e eeuw vond een nieuwe revolutie plaats. Onder leiding van koopman-koning Willem I werd gestart met de aanleg van een groot netwerk van kanalen, die de opkomende industriegebieden in Nederland moesten ontsluiten. Vanaf ongeveer 1950 werd bovendien gestart met het op grote schaal verbeteren van de Nederlandse rivierlopen ten behoeve van de bevaarbaarheid, de afwatering en het verlagen van het risico op overstromingen.