Achtergronden

Van de middeleeuwen tot circa 1900 diende de heide in het landbouwsysteem als leverancier van voedingsstoffen voor de akkers. Dit gebeurde op meerdere manieren: weiden, maaien of plaggen steken.
De heidevelden werden met vee (vooral schapen) beweid. 's Nachts en in de winter werd het vee op stal gezet. De daar gedeponeerde mest diende ter bevruchting van de akkers.
Het maaien gebeurde op twee manieren, met zeis of sikkel of met plaggen- of heidezicht. Het met een zeis afgesneden materiaal werd of als strooisel in de stallen gedeponeerd, als wintervoer aan het vee gegeven of als brandstof voor ovens gebruikt. Bij het maaien met een plaggenzicht of heidezicht werd ook de strooisellaag meegenomen.
Het steken van plaggen gebeurde met een plaggenschop. De zandhoudende plaggen werden in de stallen gebruikt als strooisel en daarna samen met de mest over de essen gestrooid. Plaggen met weinig zand werden ook gebruikt als bouwmateriaal bijvoorbeeld voor waterputten, schaapskooien of op de nok van boerderijdaken.

Stuifzand
Soms werden heidegebieden zo intensief afgeplagd en beweid dat de vegetatie verdween en er zandverstuivingen ontstonden, waarbij het zand soms tot op het grondwater wegstoof. Vaak raakten de naastgelegen heide en bouwland onder het zand. Dit probleem deed zich vooral vanaf de 16e eeuw voor, al bestaan er ook oudere stuifzanden. Men probeerde de verstuiving tegen te gaan door aanplant van bomen en de aanleg van singels en wallen. Daardoor zijn vooral in de 19e eeuw veel stuifzandcomplexen vastgelegd.
De huidige stuifzandgebieden in Nederland - het verschijnsel komt alleen voor op de zandgebieden van Noordwest-Europa - worden kunstmatig 'levend' gehouden door de opkomende begroeiing regelmatig af te plaggen. De recreatieve aantrekkelijkheid van deze gebieden speelt daarbij in het voordeel van het stuifzand. De voornaamste cultuurhistorische waarde van stuifzand zit in het feit dat het door roofbouw van de mens ontstaan is en dat ze vaak oude bodems en archeologische relicten, soms hele dorpen, bedekken.

Jeneverbesstruweel
De gewone jeneverbes is een inheemse, struweelvormende plant van de droge zandgronden en duinen. Ze kwamen in heel Nederland op de heide voor, maar zijn momenteel in het zuiden van het land vrijwel verdwenen. In Drenthe en plaatselijk in Overijssel komen nog veel struwelen voor. Vanwege de bessen die ze leveren voor de jeneverbereiding werden ze gekoesterd. Bovendien deden er verhalen de ronde dat er goede geest in jeneverbesstruiken leefden. Hierdoor werden ze zelden gekapt. De jeneverbes is nu bedreigd doordat er nauwelijks jonge aanwas is. Naar de oorzaken daarvan vindt onderzoek plaats.

Schaapskooi
Een schaapskooi is een meestal nabij de boerderij gelegen stal voor schapen. Soms lagen ze ook midden op de heide, hetgeen als voordeel had dat de schapen niet telkens over grote afstand vervoerd hoefden te worden. Het vloeroppervlak van een schaapskooi loopt aan de uiteinden meestal spits toe. Hierdoor kon de kudde beter gecontroleerd naar buiten komen. Schaapskooien zijn een herinnering aan de voormalige functie van de heide in de agrarische bedrijfsvoering. Ze zijn hier en daar opnieuw in gebruik genomen in verband met het beheer van de heide of hebben een nieuwe functie gekregen, bijvoorbeeld als bezoekerscentrum.

Wegen
Over de weidse heidevelden liepen belangrijke verbindingswegen, de zogenaamde Hessenwegen. Deze wegen ontstonden begin 17e eeuw speciaal voor de zogenaamde Hessenwagens. Deze wagens van reizende kooplieden waren breder dan de lokale wagens en hadden andere sporen nodig. Daarom liepen die wegen vaak buiten de bewoonde wereld om, dus over de heide. Resten van deze karrensporen komen nog veel voor op de heide.

Celtic fields, grafheuvels en urnenvelden
Juist omdat heidegrond vaak relatief weinig verstoord is, treffen we er veel zichtbare en onzichtbare archeologische waarden als celtic fields (zie beheermodel Celtic fields) en grafheuvels en urnenvelden (zie beheermodel Grafheuvel en urnenveld). Bij het beheer van de heide is het dan ook belangrijk op de eventuele aanwezigheid van deze archeologische elementen gespitst te zijn. Het reliëf en bodemprofiel geven hiervoor aanwijzingen. Het is van groot belang dat microreliëf niet verloren gaat. Plaggen bijvoorbeeld is in dergelijke situatie ten zeerste af te raden.