Wat en waar

Heidevelden zijn terreinen met een grotendeels uit heidesoorten bestaande vegetatie. In het middeleeuwse landbouwsysteem maakte de heide samen met het aanwezige bos eeuwenlang deel uit van de zogenaamde 'woeste grond'. Op die woeste grond werd vee geweid en werden plaggen gestoken, waardoor de grond sterk verarmde. Op deze schrale grond verdween het bos en ontstond een open landschap van heide, gras, en struikgewas. De uitgestrekte paarse heidevelden van Nederland zijn dus geen natuurlijk verschijnsel, maar een gevolg van menselijk handelen.

De heidegebieden werden in de loop van de tijd steeds intensiever gebruikt om runderen en schapen te weiden en plaggen te steken. De grote aantallen schapen die in de late middeleeuwen voor de wol en in de nieuwe tijd voor de mest werden gehouden, maakten het landschap steeds uniformer, totdat de meeste heidevelden in de 19e eeuw volledig werden gedomineerd door struikheide. De heide verloor toen haar functie als schapenweide en eind 19e of begin 20e eeuw werden de meeste heidevelden beplant met naaldbos (mijnhout), omgezet in cultuurland, of kwam er een natuurlijke successie op gang.

Heidevelden komen voor op plaatsen met een uitermate arme bodem. Het is een typische vegetatie die goed gedijd in streken met een zeeklimaat. In Nederland liggen de heidevelden op de hogere zandgronden en bij de restjes hoogveen. Hoogveen is erg arm en vochtig, wat een natte heidevegetatie oplevert. Op de zandgronden komt vaker droge heide voor. Kensoort van natte heide is dopheide, voor droge heide zijn dat struikheide en kraaiheide.