Achtergronden
In Nederland is een aantal regio's aan te wijzen waar heggen of hagen meer dan gemiddeld bijdragen aan het landschapsbeeld. Dat is het geval waar hun ontstaan nauw samenhangt met de ontginningsgeschiedenis en de traditionele landbouwmethoden. Het meest bekend zijn de Maasheggen in Brabant en Limburg: de laatste heggenrestanten van enige omvang. Deze werden vroeger beheerd als vlechtheggen. Breed mocht de heg niet worden, want dat ging te veel ten koste van het grasland. Soortgelijke heggenlandschappen zijn ook langs de Gelderse IJssel te vinden. Vele kilometers meidoornhagen die jaarlijks geschoren worden liggen in Zuid-Limburg. Vaak omgeven ze daar oude hoogstamboomgaarden, maar ze begeleiden ook veel wegen.
In Zeeland staan de heggen vooral op Zuid-Beveland ten zuiden van Goes, op Walcheren en in West-Zeeuws-Vlaanderen (waar ze ook uit gevlochten braam bestaan). In Brabant staan in de Langstraat veel geschoren hagen van meidoorn, maar ook vrij uitgegroeide heggen van meidoorn, kornoelje en Gelderse roos. Verder kent Gelderland de Achterhoekse heg.
Oorspronkelijk dienden veel heggen als vee- en wildkering. Om te voorkomen dat het vee uitbreekt en in de moestuin terechtkomt of in de boomgaard het fruit opeet, zijn afscheidingen nodig. Aangezien afrasteringen van 'dood' hout veel onderhoud vergden, schakelden veel boeren over op struiken. Door meidoorns te planten en de takken vervolgens door elkaar te vlechten creƫerden ze een dichte en doornige heg. Bomen werden ertussen geplant om hout op te leveren. Andere soorten vestigden zich op eigen kracht in de heg. Hierdoor groeiden de heggen uit tot meer dan alleen een vee kering. Ze boden beschutting aan vee en gewas, ze zorgden, doordat de bomen werden geknot, voor gerief en brandhout en ze leverden vruchten als bramen en rozenbottels. Wanneer in 1880 de, tot dan toe gemeenschappelijke, akker- en weidegronden worden opgedeeld, vindt er een geweldige extra aanplant van heggen plaats, om de nieuw ontstane percelen van elkaar te scheiden. Hierdoor ontstaat in grote delen van Nederland een dicht heggennetwerk. Langs de rivieren dienen de heggen bovendien om de waterstroom bij overstromingen te remmen en te verdelen, zodat het vruchtbare slib kan bezinken.
• Berceau
Een in boogvorm geknipte haag. Er ontstaat door het knippen - en dankzij een gewoonlijk voor de groei opgesteld raamwerk - een overkoepeling door de vegetatie. Berceaus worden in het algemeen erg intensief onderhouden, zodat ze erg dicht blijven en hun vorm goed zichtbaar blijft. Ze staan vaak op buitenplaatsen en landgoederen. Bekend is de berceau bij Oosterbeek en die van paleis 't Loo. Ze zijn een voorbeeld van de Franse landschapsstijl bij de landgoederen: het benadrukken van de macht van de mens over de natuur en van het grote verschil tussen 'natuur'(buiten het landgoed) en de 'cultuur' op het landgoed.
• Haag
Een minimaal eenmaal maar gewoonlijk tweemaal per jaar geschoren lijnvormige aanplant van dicht opeen geplaatste struiken. Vanwege het vrij intensieve beheer wordt een haag gewoonlijk vrij laag gehouden en groeit die zelden boven schouderhoogte.
• Struweelheg
Een hooguit een keer in meerdere jaren geschoren of geknipte of afgezette lijnvormige aanplant van (vrij) dicht opeen geplaatste struiken. Heggen komen vooral vrijstaand in het landschap voor, bijvoorbeeld tussen akkers. Ze kunnen meerdere meters hoog en breed worden. In feite wordt er een soort hakhoutbeheer op uitgeoefend.
• Tuunheg
Tuunheggen bestonden helemaal of voornamelijk uit dood hout, dat eens in de 3 tot 7 jaar dicht opeen in de grond of in een levende heg werd gestoken.
• Vlechtheg
Een heg waarbij door het ineenvlechten van takken en het 'afleggen' een dichte heg wordt gevormd die geschikt is als vee scheiding en als middel om wild buiten de akker of het erf te houden.
