Beheer, behoud, ontwikkeling
Aantastingen en bedreigingen
Wanneer heggen hun functie als perceelscheiding verliezen raken ze meestal in verval. Als een scheiding immers goedkoper en gemakkelijker te realiseren is met palen en prikkeldraad zal daar vaak voor gekozen worden. Het plaatsen van prikkeldraad binnen de haagafscheiding biedt geen bescherming aan de haag. Het vee kan dan immers toch van de struiken vreten, waardoor ook de natuurlijke verjonging wordt gefrustreerd. Ook veroorzaakt het vee schade door vertrappen, schuren en bemesten. De onderbegroeiing nivelleert daardoor.
Daarnaast kunnen heggen verdwijnen door herinrichting van een gebied voor agrarische doeleinden, maar ook bijvoorbeeld bij herinrichting van een uiterwaard tot natuurgebied, waarbij ooit bestaande of nieuwe nevengeulen worden gegraven. Veel heggen in uiterwaarden zijn verdwenen door het afgraven van klei voor onder andere steenfabrieken. Herinrichting van een landschap uit agrarische motieven maakt een landschap gewoonlijk grootschaliger, waarbij kavelbegrenzingen verdwijnen. Ook de ontwikkeling van recreatiemogelijkheden kan ten koste van heggen gaan. Achterstallig onderhoud is nu een van de grootste bedreigingen: heggen veranderen daardoor in singels of rijen met opgaande bomen. Natuurlijke verjonging is vaak niet meer mogelijk.
Een extra bedreiging voor meidoornheggen is de angst voor besmetting van fruitbomen in de nabijheid van de heggen door bacterievuur (perenvuur). Fruitteeltgebieden grenzen vaak aan rivieren, en in dat rivierenlandschap komen juist veel meidoornheggen voor. Het regelmatig controleren ("zorgen voor een goede hygiëne") van de heggen in de omgeving van boomgaarden is hier een probaat middel tegen. Onderzoek heeft aangetoond dat die angst zelden gefundeerd is, maar in fruitteeltgebieden wil men liever geen risico nemen.
Beheeropties
Behoud en consolidatie
Het traditionele beheer van heggen verschilt per type heg, per gebruiksfunctie en per regio. Zo zetten (vroeger) de Zeeuwse boeren de meidoornheggen eens in de vijf jaar in de winter af. Gaten in de heg werden dichtgemaakt door enkele niet al te dikke stammetjes in te kepen, in het gat te buigen en aan elkaar vast te maken. Het gat werd verder met snoeihout opgevuld. Binnen de regionale en lokale tradities ontstond nog weer variatie door persoonlijke voorkeuren van de beheerder, zoals we dat ook bij het beheer van houtkaden zien. Ruwweg bevonden struweelheggen zich op slootkanten, waar ze spontaan kiemden, en door de houtbehoeftige boeren als geriefhout werden benut. Bij deze hagen was de haag de veekering.
Een bijzondere vorm van beheer is het vlechten van heggen. Dit houdt in dat alle takken die de wei in groeien er af worden gehaald, waardoor de heg zijn smalle vorm krijgt. Daarna worden de nog staande takken en stammetjes laag bij de grond (bij sommige methodes ook halverwege en hoger) half ingehakt of half ingezaagd om ze buigzaam te maken en met elkaar te vervlechten. Afhankelijk van het type vee (bijvoorbeeld schapen of koeien) verschilden de vlechtmethodes en het uiteindelijke resultaat van vorm en hoogte. Men liet voor het vlechtonderhoud met name de verticale takken twee tot drie jaar doorgroeien. De techniek van het vlechten van heggen was wijd en zijd verspreid en werd toegepast in heggen die zelfstandig het vee moesten keren (zonder sloot). Vlechtsporen zijn gevonden in Zeeland, Brabant, Limburg, Gelderland, Overijssel, Drenthe en Friesland.
Huidig beheer
Heggen kunnen alleen blijven voortbestaan als ze regelmatig onderhouden worden. De afzonderlijke struiken groeien uit hun gesnoeide vorm. Omdat ze dicht op elkaar staan is er een sterke concurrentie en vallen er gaten. In de gaten woekeren brandnetels en bramen. De heg verbrokkelt tot afzonderlijke struiken. Natuurlijke verjonging is dan niet meer mogelijk en wanneer er geen aanplant plaatsvindt - zal de heg verdwijnen. Voorkom dus achterstallig onderhoud. Als er tussen het afzetten een te lange periode ligt, lopen de stobben niet meer uit. Door plotselinge toename van licht in het element (door uitval of sterke snoei) krijgen soorten als brandnetel, kleefkruid, hop en haagwinde de overhand. Nazorg in de vorm van onkruidbestrijding is nodig om er zeker van te zijn dat de stobben weer uitlopen. Bij achterstallig onderhoud moeten de te groot geworden struiken worden afgezet of geschoren.
Open plekken worden opgevuld met nieuwe aanplant. Is de heg erg hoog of wijd uitgegroeid, dan kan deze het beste zo laag mogelijk worden afgezet en opnieuw regenereren. Oude stammen kunnen op veertig centimeter worden afgezet om verjonging te bereiken. De heg moet daarna zeker drie jaar lang beschermd worden tegen vee vraat. Hiervoor kan op ongeveer één meter afstand van de heg een afrastering geplaatst worden. Is het achterstallige onderhoud voldoende weggewerkt, dan kan de heg verder normaal worden bijgehouden. Dat wil zeggen een haag een of twee keer
per jaar scheren, een heg een keer in de twee tot tien jaar knippen of afzetten, afhankelijk van de beoogde vorm en omvang.
Het snoeihout wordt afgevoerd. Dunne takken kunnen gebruikt worden voor takkenbossen, die
verstookt kunnen worden. Een heg die enkele jaren niet meer afgezaagd is levert ook brand- en gebruikshout op.
• Strak geschoren haag
De strak geschoren haag komt veel voor als afscheiding tussen tuinen en bij bebouwing. Midden tussen de landerijen wordt deze beheersvorm minder toegepast. Er zijn echter uitzonderingen. Zo is in Zuid-Limburg de strak geschoren meidoornhaag tegenwoordig een karakteristiek landschapselement, vaak in combinatie met hoogstamboomgaarden of restanten daarvan. Het smalle en strakke uiterlijk dat ze nu hebben is waarschijnlijk vrij recent ontstaan. Op oude foto's is te zien dat ze 'karteliger' en robuuster waren in de tijd dat ze nog met een 'heggenzwaard' werden onderhouden. De Maasheggen die nu vaak vrijuit groeien waren daarentegen vroeger veel smaller: het waren vlechtheggen.
De windsingels langs boomgaarden zijn ook te beschouwen als strak geschoren hagen.
Het beheer bestaat uit een of twee keer per jaar terugsnoeien tot de gewenste afmeting. Allerlei vormen zijn bij zo'n haag mogelijk: van lage vierkante blokken tot smalle en hoge afscheidingswanden. Veel houtsoorten zijn goed bestand tegen jaarlijkse snoei en kunnen daarom in geschoren hagen voorkomen. Zo vinden we onder andere meidoorn, haagbeuk, ruwe iep, linde, beuk, zomereik, es,
veldesdoorn, taxus, hulst en liguster in hagen. Het scheren of snoeien gebeurt bij de meeste hagen twee keer per jaar. Wordt gekozen voor één keer snoeien, dan is eind juni de beste tijd. Als er twee keer gesnoeid wordt, gebeurt dat gewoonlijk in eind mei/ begin juni en eind september.
Vlechtheggen en voormalige vlechtheggen worden bij voorkeur gevlochten. Als dit te arbeidsintensief en kostbaar is, kan ervoor gekozen worden de heg te scheren, tenminste elk jaar aan de zijkant en periodiek aan de bovenkant. Op die manier passen ze toch nog in het cultuurhistorisch beeld. Daar horen ook de overstaanders bij, al dan niet geknot.
• Vrij uitgroeiende heg
Struweelheggen hebben vanwege hun rijke bloesem en de overdaad aan vruchten meer te bieden aan vogels, insecten en zoogdieren. Het beheer van zo'n heg is in feite hakhoutbeheer: de struiken worden laag bij de grond afgezet, eens in de zes tot tien jaar. Tot overstaanders uitgegroeide bomen worden daarbij gespaard. Als er teveel overhangende takken zijn ontstaan, moet de heg aan de zijkant tussentijds wat worden bijgesnoeid. De kapcylus of omlooptijd kan sterk variëren en hangt onder meer af van de beschikbare ruimte en de in de heg staande soorten: van twee tot zo'n tien jaar. Aansluiting bij de omloopsnelheid en de vorm van beheer die regionaal wordt gehanteerd is belangrijk. Veel gebruikte soorten in deze heggen zijn meidoorn, sleedoorn, hazelaar, veldesdoorn, kornoelje, Gelderse roos en vlier.
Restauratie
Bij het opvullen van gaten die in de heg zijn gevallen worden de soorten geplant die al in de heg staan of anders soorten die in oude heggen in de directe omgeving voorkomen.
Aanvullen met andere soorten gebeurt ook, een argument kan daarbij bijvoorbeeld zijn dat een soort wordt gebruikt die beter tegen wegenzout bestand is.
Aanleg
Bij het plannen van aanvullende aanplant in een bestaande heg wordt aangesloten op de lokale tradities en gewoonten. Het onderscheid tussen strakke hagen en vrijer groeiende heggen is ook hier van belang. Voor brede en hoog uitgroeiende heggen is de daarvoor vereiste grondstrook zo'n vijf meter breed. De plantafstand van de struiken in de rij is ongeveer een meter. Er zijn organisaties die een assortiment van inheems plantmateriaal aanbieden. Door dat te gebruiken wordt 'genetische vervuiling' voorkomen.
Bij strak geschoren hagen is de plantafstand veel kleiner, vaak ongeveer 25 centimeter. Het gebruik van meer dan één soort struik in een heg is geen probleem. Maar er kan ook gekozen worden voor de aanplant van één soort, waarbij in de loop van de tijd in die aanplant steeds meer andere soorten voor zullen komen: dat is een meer 'natuurlijke' ontwikkeling. Kies soorten die in de regio voorkomen in oude heggen of soorten waarvan bekend is dat ze er vroeger stonden. De keus hangt daarnaast af van de functie van de heg of haag en natuurlijk van de grondsoort. Voor de haag zijn beuk, meidoorn en veldesdoorn geschikt. Voor de heg komen vooral meidoorn, hazelaar, veldesdoorn en sleedoorn in aanmerking. Graaf voor het planten een sleuf, die diep en breed genoeg is om de wortels van het plantgoed er ruim in te leggen. Een goede afrastering op ongeveer één meter afstand moet de nieuwe aanplant ten minste tien jaar tegen vraat door vee beschermen. Lopen er schapen, dan is een afstand van een halve meter genoeg. De aanplant kan het beste direct na het planten worden teruggesnoeid tot op de helft of tweederde van de lengte. Dan ontwikkelt zich namelijk eerder een brede en vertakte struik.
Reconstructie
Op plaatsen waar heggen volledig zijn verdwenen kan gekozen worden voor reconstructie. Gebruik hiervoor soorten waarvan bekend is dat die in de verdwenen heg stonden. Dat kan afgeleid worden uit individuele exemplaren die zijn blijven staan en die dan vaak tot een boom zijn uitgegroeid, of uit soortgelijke aanplant in de onmiddellijke omgeving.
In de (binnen-)duin- en bollenstreek zijn vaak haagbeuk, els en beuk gebruikt. In Zeeland staan op dijken, maar vooral langs slootkanten, traditioneel meidoornheggen. In Zuid-Limburg staan rond boomgaarden, langs wegen en in erfbeplantingen ook vaak meidoorns. In de Friese Wouden staan nog heggen waarin inheemse liguster voorkomt. Er is hier geen uitputtende opsomming te geven van de verschillende regionale variaties. Veel oude heggen zijn overigens door de eeuwen heen gemengde heggen geworden, waarbij het melange soms bestaat uit meer dan tien soorten in één heg!
Behoud door ontwikkeling
Heggen verdienen behouden en beheerd te worden op basis van hun grote cultuurhistorische en landschappelijke betekenis. Maar ze kunnen ook profiteren van andere ontwikkelingen en extra waarden die ze zelf bezitten. Zo kan een inrichting van een ecologische verbindingszone een extra steun zijn voor het behoud van een heg of haag, evenals de aanleg van allerlei recreatieve routes. In beide gevallen moet wel voorkomen worden dat de heg 'wegvalt' in een grootschaliger beplanting. Verder zijn heggen en hagen erg geschikt om allerlei (vrijwel) verdwenen lijnen in het landschap opnieuw te accentueren, waardoor het landschap weer 'beter leesbaar' wordt, maar waardoor ook de biodiversiteit en de recreatieve aantrekkelijkheid wordt gediend. In prikkeldraad kun je niet broeden en er komt geen bloesem in. Natuurontwikkelingsprojecten zijn niet alleen een bedreiging voor heggen, maar kunnen ook tot de aanleg van nieuwe heggen leiden, bijvoorbeeld op locaties en lijnen waarvan bekend is dat daar vroeger dergelijke elementen voorkwamen.
