Wat en waar

Grienden zijn binnen- of buitendijkse aanplanten van wilg of es, waarbij het hout dat op laag afgezette stobben groeit een keer per jaar of meerdere jaren wordt geoogst. De oogst wordt samengebonden in takkenbossen en afgevoerd. Gewoonlijk worden bij de wilgen snijgriend en hakgriend onderscheiden. In het eerste geval gaat het om de jaarlijkse oogst van takken die zo dun zijn dat ze afgesneden kunnen worden. De dunne twijgen worden gebruikt als bindtouw of bijvoorbeeld voor de mandenmakerij. In een hakgriend vindt oogst een keer in de twee á vier jaar plaats, met bijl of zaag. Van het geoogste hout, het zogenaamde rijshout ('rijs' betekent tak, twijg), werden zinkstukken gemaakt die werden gebruikt bij de aanleg van dijken. Ook wordt rijshout gebruikt aan de kust: voor het maken van schermen die het stuifzand vast moeten houden.

Grienden zijn vaak aangeplant op de landerijen van grootgrondbezitters. Soms lagen er ook grienden op buitenplaatsen en landgoederen, bijvoorbeeld in het Kromme Rijn gebied. In de industrie die de oogst van de grienden verwerkte werkten veel mensen. Heel veel producten werden vroeger vervoerd in gevlochten manden en kratten. Het griendhout werd ook gebruikt voor bonenstaken, voor schuttingen, betuiningen en beschoeiingen.

Grienden bevinden zich in het westelijke rivierengebied, langs de oevers van de IJssel en in enkele verspreide gebieden in Brabant (Peel en Meierij). Andere belangrijke concentraties liggen in de Vijfheerenlanden, Culemborgerwaard en langs wateren als Oude Maas, Hollands Diep, IJssel en Merwede. Kleine grienden liggen langs de Linde en Tjonger in Friesland. Het bekendste en grootste griendcomplex is dat van de Biesbosch. Andere gebieden met veel grienden zijn de Culemborgerwaard en het Langbroekerweteringgebied.

Buiten ons land zijn vroeger omvangrijke grienden aangelegd in België en Polen.