Achtergronden
Het principe van het hakhoutbeheer bestaat al lang. Op drassige gronden is dit een van de weinige vormen van houtteelt die mogelijk is. Andere vormen zijn die van de knotbomen en grienden, maar die leverden gewoonlijk dunner hout. Op allerlei kaden, langs wegen en in singels komt al lange tijd hakhout voor. Het is niet duidelijk sinds wanneer precies en ook is niet bekend of deze elementen al snel na de aanleg beplant raakten of dat dit pas later gebeurde. Dat hakhout al minstens 400 jaar voorkomt staat wel vast. Hakhout is een beheersvorm, die
toegepast kan worden op heel veel verschillende elementen. Hieronder volgt een aantal definities van dat soort elementen
• Dykswâl
In Friesland komen dykswâlen voor die bestaan uit een aarden wallichaam met een begroeiing van bomen, struiken en kruiden op de top. De zijkanten van de wal zijn steil. De zijkanten worden begraasd en daarmee schraal gehouden.
• Elzenmeet
Op het voormalige eiland Schouwen komt een vorm van elzenhakhout voor die elzenmeten heet. De meten of meetjes zijn de vier meter brede 'bedden' waarop elzen worden geplant voor het hakhout. Tussen de bedden lopen greppels. Zie voor dit systeem het hoofdstuk rabatten.
• Elzensingel
Er zijn veel singels waarin elzen staan, maar een bijzondere vorm komt voor in Friesland, waar deze singel bestaat uit een begroeiing met (elzen-)bomen aan weerszijden van een sloot of wijk. De watergang wordt er volledig door overschaduwd waardoor er nauwelijks plantengroei plaatsvindt in het water. De elzen komen spontaan op uit zaden die in het water dreven.
• Geriefbosje
Geriefbosjes liggen soms in de erfbeplanting, maar vaker geïsoleerd in het boerenland. Om betreding door vee te voorkomen hebben ze gewoonlijk een ringsloot. Met name in het veenweidegebied zijn de rechthoekige geriefbosjes een heel kernmerkend en waardevol element. Het hout uit de bosjes was bestemd voor eigen gebruik door de boer.
• Graft
In Limburg - en een enkele aan de noordzijde van de Utrechtse Heuvelrug, bij Achterberg - komen graften voor, die bestaan uit lijnvormige hakhoutaanplant parallel aan de hoogtelijnen, die erosie moeten voorkomen. Graften zijn voor een groot deel opgeruimd of sterk verwaarloosd, waardoor alleen enkele alleenstaande zware bomen zijn overgebleven. Het gevaar bestaat nu dat die bomen omvallen. Daarom is het belangrijk dat in graften het hakhoutbeheer voortgezet wordt. Deze elementen hebben doordat ze op hellingen liggen bovendien een grote ecologische waarde: daar is sprake van een specifiek microklimaat.
• Hakhout
Hakhoutpercelen komen zowel op natte als op droge gronden voor. Het is eigenlijk een verzamelterm voor veel van de hier behandelde elementen. De term 'hakhout' wordt door sommigen met name gebruikt voor elementen waarop hout voor de verkoop wordt geteeld, om het verschil aan te geven met geriefhout, waarbij het gaat om teelt voor eigen gebruik. Soorten die veel voorkomen in hakhout zijn zwarte els, gewone es, zomereik, hazelaar en wilgensoorten.
• Houtakker
In de omgeving van Boskoop komen smalle akkers voor die de boomkwekerijen van elkaar scheiden. Op de akkers taan vaak elzen, soms ook andere boomsoorten. Ze geven de tussenliggende percelen luwte en worden vanwege de drassige grond gewoonlijk beheerd als hakhout.
• Houtkade
Houtkaden vormen de achtergrens van ontginningen en dienden oorspronkelijk om het water uit de niet ontgonnen 'woeste gronden' buiten de ontginning te houden. Ze bestaan uit een laag kadelichaam, met erlangs lopende weteringen of sloten. Op de kaden staat vaak hakhout, maar ook griendkaden, graskaden en kaden met knotbomen komen voor. Wanneer ook het achterliggende land werd ontgonnen vormde de houtkade, die soms verdubbeld werd, de scheiding tussen twee ontginningen.
• Houtsingel
Een houtsingel is een lijnvormige beplanting van opgaande bomen of bomen in hakhoutbeheer. Er is geen sprake van een wallichaam. De houtsingel wordt uitgebreid behandeld in het hoofdstuk houtsingel & houtwal.
• Houtwal
Bij de houtwal staat de aanplant op een (lage) aarden wal. Zie het hoofdstuk houtsingel & houtwal.
• Huftbosje
Een huftbosje is een klein bosje waarachter het vee schaduw of beschutting kan vinden. De term is bekend uit de Alblasserwaard, mogelijk kwam het verschijnsel ook in andere veenweidegebieden voor. Het is vergelijkbaar met een koebocht of koebosje. Er bestaan ook huftgrienden.
• Koebocht/ koebosje
In sommige streken liggen winkelhaakvormige bosjes in het land, omringd door een sloot. Behalve een functie voor de productie van hout moesten die bosjes er ook voor zorgen dat er een plek in het land was waar luwte was en waar de koeien gemolken konden worden.
• Legakker
Een legakker is een bij de afgraving van veen (ten behoeve van de turfproductie) gespaarde langwerpige strook land, die na de afgraving omringd is door water. Een bijzondere variant is de Damhoek. Daarop werd de niet voor turfproductie geschikte bovenlaag van het laagveen gestort. Zo'n strook is dus van een andere samenstelling wat de grond betreft dat de legakkers.
De legakker wordt in Noord-west Overijssel 'rib(be)' genoemd, en ook de benaming 'zetwal' komt regionaal voor. Later werden de legakkers vaak gebruikt voor de kweek van groenten en teelt van struiken. Nu komt op veel legakkers hakhout voor, vooral van elzen. Waarschijnlijk is dat een vrij recente ontwikkeling.
• Pestbosje
Door sommigen wordt verondersteld dat geïsoleerd liggende bosjes gebruikt zijn als begraafplaats van aan besmettelijke ziekten (mogelijk miltvuur of runderpest) gestorven vee. Ze worden door hen dan gewoonlijk pestbosjes genoemd. De ringsloot zou dan onder andere zijn gegraven om besmetting te voorkomen. Overtuigend bewijs voor een dergelijk gebruik van deze bosjes ontbreekt.
• Strubben
Strubben bestaan uit eikenhakhout en beslaan gewoonlijk wat grotere oppervlakten. Ze komen bijvoorbeeld voor langs de randen van essen. Bekende strubben liggen nu nog bij Zeijen en Anloo in Drenthe. De eiken werden als hakhout beheerd voor het hout en voor het eikenschors, waaruit run gewonnen kon worden ten behoeve van de leerlooierij. De Zeijer strubben zijn bekend vanwege het voorkomen van de Zweedse kornoelje: de enige groeiplaats in Nederland. Ook in Limburg wordt de term strubbe gebruikt voor stoven of stobben. In het Meinweggebied staan kringen van eikenstammen, zowel op de heide als in bosverband.
