Achtergronden

In Nederland bestaat een grote diversiteit aan historische tuinen die door de eeuwen heen zijn ontstaan. Binnen elke tijdsperiode had men een eigen kijk op de manier waarop historische tuinen werden ingericht of gereconstrueerd. In de geschiedenis van de Nederlandse tuinarchitectuur spelen enkele facetten een rol die de Nederlandse tuinen onvergelijkbaar maken met buitenlandse tuinen: ze zijn kleinschalig van omvang, de beplanting is rijker en hun ligging in het polderlandschap is uniek. Er is inmiddels veel informatie beschikbaar waarmee men een beter inzicht krijgt in de eeuwenlange ontwikkeling van de tuinarchitectuur in Nederland. Hierdoor is het mogelijk om een of meerdere landschapsstijlen te herkennen en hierop in meer of mindere mate voort te bouwen bij een restauratie, reconstructie of nieuwe inrichting. De cultuurhistorie van een tuin of park vormt binnen de huidige tuin- en landschapsarchitectuur een belangrijke waarde en staat steeds vaker centraal binnen de vormgeving van tuin en parken. Een indeling van de verschillende tuinstijlen kan op basis van het tijdperk waarin de tuin is ontstaan, de kunststijlindeling, de karakteristieke uitstraling van de tuin of juist een combinatie hiervan. Verschillende stromingen en periodes kunnen elkaar overlappen.

Een beknopte indeling van de ontwikkeling van historische tuinen gebaseerd op de karakteristiek van de verschillende tuinstijlen:

Vóór 1500 - Kasteel- en kloostertuinen met een besloten karakter
Kenmerkend voor deze middeleeuwse tuinen is meestal de vierkante of rechthoekige vorm wat vaak voortkomt uit het klooster of het kasteelgebouw dat er rondom is gebouwd. De gelijke kanten stellen volmaaktheid voor. Een padenkruis deelt de kloostertuin op, waarbij een ornament zoals fontein of boom op het snijpunt staat. Het kruis is niet alleen een Christelijk religieus teken, maar ook een symbolische voorstelling van het heelal, waarin vier kosmische stromen in een punt bij elkaar komen. De inrichting is strak en functioneel.
De functie van deze tuinen: bij kloostertuinen het kweken van nuttige planten en het scheppen van rust, bij kasteeltuinen nut en vertier. In tuinen uit deze stijlperiode staan verder vaak hoge hekwerken en gekanteelde muren met rozen- en wijnstruiken. Beplanting bestaat uit kruiden en vruchten of sierbeplanting met vaak een christelijke betekenis.
Voorbeelden: kloostergangtuin Utrecht en Ter Apel

1500-1650 - Kasteel- en kloostertuinen met een open karakter
Toen de muren rondom kastelen en kloosters niet meer alleen ter verdediging dienden, kregen de kasteel- en kloostertuinen een meer open karakter. De ligging werd vaak aangepast aan de verkaveling van het omringende landschap. Dit type open renaissance-tuinen wordt veelal omsloten door een grachtenstelsel, waarbinnen ook boomgaarden en moestuinen te vinden zijn. In de tuin bevinden zich loofgangen tussen verschillende deeltuinen afgewisseld met looppriëlen, fonteinen en ruim opgezette sierbeplanting.
Voorbeelden:Kasteel Zuylestein 1632, Muiderslot 1609, Paleis Noordeinde 1609

1600-1680 - Hollands classicistische tuinaanleg
In deze periode ontstaan meer rechthoekige tuinen waarbij de middenas een verdeling maakt in twee deeltuinen van dezelfde grootte. Kenmerkend is de symmetrie en harmonie. De middenas staat recht in lijn met het midden van het huis. Een verdere opdeling van de tuin werd ingevuld met Franse loofwerken en Nederlandse bloemperken. Kenmerkend voor tuinen uit deze periode is omheining met hagen, singelbeplanting en grachten. Verder vind je er vaak houten hekwerken, lage buxushagen, sierbeplanting en (bloem)potten op tegels.
Voorbeelden: Hof ten Bergen 1642, Huis ten Bosch 1647, Renswoude 1654

1680-1750 - Franse classicistische tuinaanleg
De kenmerkende Franse classicistische inrichtingprincipes gingen in deze periode ook steeds meer de tuin- en parkaanleg in Nederland beïnvloeden. Door de godsdienstvrijheid in de Nederlanden komen veel om hun geloof vervolgde Franse Hugenoten naar het noorden en zij brengen de Franse opvattingen over classicistische principes met zich mee. Opnieuw is er een ontwikkeling waarbij tuinen minder gesloten, maar juist meer open worden ingericht.

Een tuin uit deze periode maakt een uitgestrekte indruk doordat ze over lijkt te gaan in het omringende landschap. Dit werd onder andere bereikt door de hoofdas van een tuin als laan voort te zetten in het omringende landschap. Net als in de periode 1600-1680 is er vaak een opdeling in verschillende deeltuinen, waarbij de middentuin vaak afsluit in een circelstructuur. In dit type tuinen speelt vaak water een rol als sierfunctie, waarbij er bedriegertjes of watertrappen zijn terug te vinden. Een gracht of waterpartij geeft een spiegelwerking. Naast moestuinen, boomgaarden en afwisselende beplanting zijn er vaak diverse sierelementen als tuinbeelden, zonnewijzers, loofpriëlen, loofgangen en orangeriën terug te vinden.
Voorbeelden: de eerste Frans classicistische tuin in Nederland Slot Zeist 1677
(Clingedaal 1680, Het Loo bij Apeldoorn 1689, Kasteel Heemstede ca. 1700, Keukenhof 1720, Middachten 1725, Twickel ca. 1725, Groenendaal Heemstede ca. 1750

1750-1800 - Vroege landschapsstijl
Binnen de vroege landschapsstijl ging men anders tegen het buitenleven aankijken. Tuinen werden kleinschaliger, meer besloten en grilliger ingericht waarbij het beleven van de natuur en het daarmee omgaan centraal stond. Kenmerkend aan tuinen uit deze periode zijn de kronkelige paden zonder direct einddoel, grote vijvers met eilanden en soms ook in verbinding met een waterval. Sierelementen werden gevormd door het gebruik van elementen uit de Chinese architectuur, zoals tempels. Ook kwamen er in deze periode sierelementen in de vorm van nagemaakte brokken van zuilen, de eerste neo-classicistische bouwwerken, bestaande ruïnes of een hermitage uit een eerdere periode. Kenmerkend is verder de opkomst van de folly, vermaakarchitectuur, die vanuit Engeland zijn intrede doet. In plaats van groots opgezette fonteinen zoals bij Versailles, is het gebruik van water in de baroktijd een verwijzing naar de vergankelijkheid. Ruïnes zijn hiervan een voorbeeld. Een rondwandeling is mogelijk rondom groene weiden of akker. In dit type tuinen is vaak veel uitheemse beplanting terug te vinden, met soorten die ook te vinden waren in de Engelse bossen en tuinen.
Voorbeelden: huize Hulshorst (Nunspeet 1805), omvorming naar landschapsstijl; Groenendaal ca. 1750, Amelisweerd 1770, De Voorst, Rosendael ca. 1780

1800-1870 - Late landschapsstijl
Het besloten, meer kleinschalige karakter uit de vroege landschapsstijl werd binnen de late landschapsstijl weer open van karakter. Kenmerkend zijn de lange zichtassen die werden gecreëerd naar plekken buiten het historische park. Natuurlijke vormen komen terug. De aanleg van grote vijvers en open weiden speelde hierbij een rol. In deze periode werden er vaak gebogen lanen en open weiden aangelegd. Typerende elementen zoals rechte lanen en/of sierelementen als tuinbeelden, nog afkomstig uit de periode van de Frans classicistische tuinleg, verdwenen. Kenmerkend voor de beplanting was de aanplant van solitaire exotische bomen en/of boomgroepen welke omzoomd werden door boomcoulissen en/of door het park stromende beken.
Voorbeelden: Zypendaal 1802-1804, Sonsbeek 1806 en 1821, Haagse Bos 1819, Twickel 1833, Het Wilhelminapark Utrecht 1897

1870-1940 - Jongere tuinkunst
Na 1870 ontstond er weer behoefte aan beslotenheid en regelmatige structuren. Er werden villaparken aangelegd maar ook in de nieuwe arbeiderswijken werden kleine wandelparken aangelegd. Op buitenplaatsen, aangelegd in landschapsstijl, verschenen nabij het huis enerzijds deeltuinen met nieuwe loofwerken, geïnspireerd op de Franse classicistische tuinkunst en anderzijds kleurige besloten bloementuinen en rozentuinen in moderne, regelmatige structuren. De vorm van de moderne bloemen- en rozentuinen was geïnspireerd op classicistische principes van symmetrie en harmonie.
Bloementuinen uit deze periode worden verder gekenmerkt door veel metselwerk zoals bloembakken en terrastrappen. De assen worden gevormd door geplaveide paden,
lange grasparterres en lange bassins. Beelden en vazen completeren de tuinen.
De beplanting van tuinen en parken bestaat voornamelijk uit bomen, heesters, planten voor mozaïekbedden, klimplanten voor pergola's, vaste planten voor boordbedden, wilde planten voor heemtuinen, rozen voor rozentuinen en rotsplanten voor rotstuinen.
Voorbeelden van openbare parken: Volkspark Enschede 1872, Zuiderpark Den Haag 1920 en Stadspark Groningen 1920
Voorbeelden van een nieuwe aanleg in gemengde of decoratieve stijl: De Haar 1894, Niënhof in Bunnik 1894, Huis te Maarn 1907 of de Dieptetuin in Zeist

1940 - heden - Jongere tuinkunst
In de wederopbouwperiode na 1945 werd het inrichten van openbaar groen vooral geregeld door de afdelingen 'groenvoorziening', openbare of publieke werken van de diverse gemeenten. Er ontstond een grote behoefte aan multifunctionele recreatieterreinen voor een massapubliek. Deze terreinen werden veelal aangelegd in de gemengde stijl met landschappelijke en regelmatige structuurelementen. De recreatieterreinen zijn bedoeld om grote hoeveelheden dagjesmensen op te vangen, met op het terrein deelgebieden als speelweide, kampeerterrein, ligweide, vijvers, trimbaan, ijsbaan, sportvelden enzovoort. Bloemen spelen in dergelijke parken geen rol en worden uit onderhoudstechnische redenen minder toegepast.
Naast - of in reactie op - deze massaparken blijft de behoefte aan kleinschaligheid en wilde natuur bestaan. Als reactie op het verdwijnen van steeds meer wilde planten ontstaan er heemtuinen, bedoeld als instructietuinen. Hier kan de bezoeker de wilde planten leren kennen en het biotoop waarin ze groeien.
Particuliere tuinen worden naar inzicht van de eigenaar ingericht. De ideeën van Mien Ruys, elementen van de decoratieve stijl of de cottage stijl, worden door velen nagevolgd. Vaste elementen in de tuinen worden gevormd door hagen, pergola's, vaste plantenborders, metselwerk, grasperken en vijvers. De vaste planten zijn in de borders naar kleur, hoogte en bloeitijd gerangschikt. Een goed voorbeeld van een dergelijke tuin is De Walenburg in Langbroek.
Voorbeelden: de floriade parken, oranjepark Apeldoorn 1959, Transwijkpark 1960, Matenpark 1972

Berceau
Een berceau (of loofgang) is een pad waarbij aan beide zijden heggen staan, die aan de bovenzijde met elkaar zijn verbonden, zodat een soort tunnel ontstaat. Het latwerk van een berceau is niet zo plat horizontaal als bij een pergola, maar is in boogvormen bevestigd. Berceaus stammen uit de tijd dat het voor adellijke dames mode was er zo wit mogelijk uit te zien, om zich te onderscheiden van niet-adellijke personen die, doordat ze veel in de buitenlucht kwamen, een bruine teint hadden. Door de berceaus kon men buiten wandelen en buiten de zon blijven.

Bosquet of bosket
De Franse formele tuin, een bosquet of bosket is een rechtlijnige aanplant van bomen waarbij er ten minste vijf identieke soorten zijn aangeplant als quincunx (vierkant met vijf elementen, waarvan er vier de hoekposities innemen en de vijfde zich in het middelpunt bevindt). De bomen kunnen ook in een strikte regelmaat in elkaars lijn geplant zijn (zie ook begrip Bosket bij beheermodel Buitenplaats).

Cascade
Een cascade is kunstmatig aangelegde getrapte waterval.

Colonnade
Een colonnade is een zuilenrij of zuilengang. Als bouwkundig element is de colonnade gebaseerd op de architectuur van het oude Griekenland. Specifieke vormen van de colonnade zijn het portiek (porticus), waarbij de zuilengalerij als hal voor de ingang van een gebouw geplaatst wordt en het peristylium, waarbij de galerij rond een open binnenplaats loopt. Colonnades worden ook toegepast in de tuinarchitectuur als constructie waarlangs allerlei planten kunnen groeien. Meestal is deze gemaakt van hout of metaal. Met een colonnade worden grenzen aangegeven of kan een tuin ingedeeld worden in verschillende ruimtes.

Folly
Een folly (Engels voor gekheid, idioterie, jolijt) is een bouwwerk in een tuin, dat opzettelijk nutteloos of bizar is. Met name in de 19e eeuw was het mode om op een landgoed enige romantische elementen te bouwen. Populair waren ruines, grotten, schijnkapellen en verblijfplaatsen voor kluizenaars.

Landgoederen/ rijksmonument
Landgoederen welke geheel dan wel op onderdelen gekwalificeerd zijn als rijksmonument, bijvoorbeeld een complex historische buitenplaats, kunnen op basis van deze status zowel voor het onderhoud als restauratie van de daaronder vallende historische tuinen, parken en monumentale gebouwen, een beroep doen op een aantal specifieke subsidieregelingen.

Oranjerie
Bijgebouw bij buitenplaats, bestemd voor het onderbrengen van de niet-winterharde planten. Oorspronkelijk - sinds de renaissance - een langwerpig, ondiep gebouw dat naar het zuiden open is.

Parterre de broderie
Een parterre de broderie is een 'borduurwerk' van buxushaagjes, soms bloemen en veelal zand of grind, of gekleurde steenslag. Dit borduurwerk kwam vooral voor in de 18e eeuwse baroktuinen.

Pergola
Een pergola is een constructie van latten op hoge palen in de tuin waar langs allerlei planten kunnen groeien en waaronder men kan lopen. Meestal is deze gemaakt van hout of metaal. Pergola's worden vaak tegen de gevel van een huis of ander gebouw geplaatst. Een pergola dient meestal als overkapping boven een terras of pad om schaduw te geven. Een pergola wordt wel eens vergeleken met een berceau.

Slangenmuur
Een slangenmuur is een fruitmuur, gebouwd met een slingerende lijn, die overal even dik is. Door de slingerende vorm wordt een stabiele muur verkregen zonder dat er steunberen gemetseld behoeven te worden. De bochten vormen beschutte plaatsen, waarin windgevoelige planten of struiken, bijvoorbeeld leiboompjes, gepoot kunnen worden. Indien de slangenmuur op het zuiden is geplaatst is het mogelijk (sub)tropische struiken te planten zoals vijgen. Uiteraard is hij dan ook zeer geschikt voor druiven.

Theekoepel
Een meestal achthoekig gebouwtje met een koepelvormig dak en veel ramen. Een theekoepel is vaak terug te vinden in de historische tuin van een buitenplaats. Ze staan op plekken waar iets te beleven is, langs een weg of op een plek waar een bijzonder mooi uitzicht is.