Achtergronden
Kleine waters die zijn ontstaan door winning van delfstoffen worden behandeld in het hoofdstuk over delfstofwinning. Hieronder worden van een aantal andere kleine wateren met cultuurhistorische waarde omschrijvingen gegeven.
• Dobbe
Dobbes kunnen gegraven zijn, maar ze kunnen ook op een natuurlijke wijze zijn ontstaan. Ze staan in contact met grondwater. Ze liggen op hogere zandgronden van ons land en worden gebruikt om er vee uit te laten drinken of om er bluswater uit te halen.
De term 'dobbe' is een vooral in Drenthe gebruikte benaming. In Dwingelo komen we de naam weijert tegen, in het zuidelijk deel van de Hondsrug staan dobben als pallert (poel) bekend. Verspreid komen we namen tegen als branddobbe, was-, of schapendobbe, poepedobbe of moldobbe. Een waterdobbe die op een terp ligt heet fething of fait.
• Hollestelle
Een hollestelle bestaat uit een verhoging (stelberg of 'stelle') waarbij op de top een drinkpoel voor het vee is gegraven. De verhoging fungeert als een dijk rondom het zoete water in de poel.
Hollestelles lagen namelijk buitendijks in aan zee grenzende gebieden. Ze worden voornamelijk in Zeeland aangetroffen. In Friesland zijn de buitendijks gelegen ringdobbes enigszins vergelijkbaar.
• Kolk
De naam kolk wordt regionaal gebruikt voor allerlei soorten kleine (gegraven) wateren. Bij Maarsbergen liggen 'De Kolkjes', die ooit dienden om stoomlocomotieven van water te voorzien.
• Pingoruïne
Pingoruïnes zijn omwalde laagten waarvan de laagte meestal gevuld is met water. De diameter
varieert van enkele tientallen tot enkele honderden meters. Ze zijn ontstaan in de laatste ijstijd, op plaatsen waar een ijslens is gesmolten. Pingoruïnes worden behandeld in het handboek aardkundige waarden (Baas e.a., 2004), omdat ze een gevolg zijn van natuurlijke processen. Wel moet men bedacht zijn op de aanwezigheid van archeologische sporen.
Grote concentraties pingoruïnes en uitblazingsgaten kan men aantreffen in Groningen, Friesland en Drenthe, bijvoorbeeld op de Duurswoldse heide. Ook in Zuid-Nederland zijn exemplaren bekend.
• Poel
Deze term word gewoonlijk gereserveerd voor gegraven kleine watertjes buiten de hoge zandgronden. Ze zijn gegraven ten behoeve van de drinkwatervoorziening van het vee. Ook worden zij gebruikt als voorraadbassin voor bluswater. Bekend is ook het gebruik als visvijver. Een poel is ook belangrijk als biotoop voor amfibieën en bepaalde vogelsoorten.
• Ven
Een ven is een natuurlijk water, dat wordt gevoed door regen. Vennen liggen gewoonlijk ver boven het grondwater en danken hun bestaan aan een ondoorlatende grondlaag of 'bank'. Zo'n bank kan ontstaan door organisch materiaal, wat deze vennen erg kwetsbaar maakt. Vennen komen voor in de zandgebieden en staan ook bekend als vlaas, flaas, fles, vlas, vlies en floss.
• Wasmeer
Een wasmeer is een gewoonlijk natuurlijk ven op de hei, dat werd gebruikt om de wol van schapen te wassen voordat ze geschoren werden.
• Wiel
Een waal (of waai of weel) is een restant van een dijkdoorbraak. Wielen worden behandeld in het handboek aardkundige waarden (Baas e.a., 2004), omdat ze een gevolg zijn van natuurlijke processen. Wielen zijn daarom hier niet uitvoerig besproken. De in dit hoofdstuk geformuleerde uitgangspunten zijn in grote lijnen echter eveneens van toepassing op wielen, alleen zijn wielen vaak groter en dieper.
