Ecologische waarden
De ecologische waarde van dijken is afhankelijk van het gebied waarin de dijk ligt, het type dijk en het materiaal waarvan de dijk is gemaakt. Bijzondere waarden hebben de taluds: de zuidhelling levert extra warmte op en de noordhelling meer afkoeling en schaduw. De waarde die dat toevoegt aan de natuur is vooral groot als het omringende gebied verder vlak is.Ook de wijze van beheer heeft veel invloed op de ecologische waarde. Dijken werden vaak begraasd, waardoor een mate van verschraling optrad. Begrazing vond en vindt het meest intensief plaats op dijken die niet langer een waterkerende functie hadden. Een té sterke verschraling kan namelijk gevaar opleveren voor de kwaliteit van de dijk en is op waterkerende dijken ongewenst: de zode wordt minder dicht. Sterke verschraling zien we bijvoorbeeld op landinwaarts gelegen dijken in Zuid-Beveland en op Goeree-Overflakkee. Daar worden ze bloemdijken genoemd. Soorten die voorkomen zijn de gewone agrimonie, kleine ratelaar, fijne ooievaarsbek, ruige anjer, rode ogentroost, wilde marjolein, knoopkruid en glad walstro.
Doordat de Zeeuwse dijken kalkrijk zijn komen daar planten op voor die ook in Zuid-Limburg, in kalkrijke duinen en het rivierengebied zijn te vinden. Aan de teen van dijken staat soms wat struweel, of een rij knotbomen. Dijken die hun waterkerende functie hadden verloren werden vaak met bomen (bijvoorbeeld fruitbomen) beplant, waardoor ze voor een extra opbrengst zorgden. Een bijzonderheid van de zeezijde van zeedijken is dat daar soorten staan die bestand zijn tegen de zoute zeewind, zoals Engels gras en blauwe zeedistel.
De vegetatie van dijken is vaak interessant vanwege de door de rivier verspreide plantensoorten. Men spreekt in dit verband van stroomdalflora, een opvallende soort is het groot streepzaad. Dijken die geen waterkerende functie meer hebben, kunnen begroeid raken met bomen en struikgewas. Er kan een ondergroei ontstaan van schaduw minnende planten als salomonszegel, daslook, eikvaren en stekelvarens.
De zonnige kant van een dijk is waardevol voor vlinders en andere warmteminnende insecten zoals keversoorten, sprinkhanen (zoals de greppelsprinkhaan) en krekels. Veel dijken zijn een leefgebied van kleine zoogdieren, amfibieën en soms reptielen. Ook leven er bijzondere slakkensoorten en profiteren vogels als patrijs, veldleeuwerik, graspieper, gele kwikstaart, braamsluiper, en steenuil (in de wilgen) van de dijkbiotoop. Vaak staat er op of langs dijken een struweelachtige begroeiing, met soms bomen. Daardoor krijgen ze mogelijk een extra ecologische betekenis, denk daarbij aan soorten als de geelgors en de St. Jacobsvlinder. Struiken en bomen op dijken trekken soorten als wielewaal, koekoek en zomertortel.
Doordat dijken vaak erg lang zijn kunnen ze een verbinding vormen tussen (natuur-) gebieden en zijn ze belangrijk voor de ecologische structuur. Vaak worden dijken minder intensief beheerd dan het omringende gebied, waardoor voor meerdere soorten interessante leefomstandigheden ontstaan. Extra waardevol wordt de kruiden vegetatie wanneer er geen boombeplanting op de dijk aanwezig is, er geen weg overheen loopt en de gebruikte grondsoort vrij licht is.
Moderne dijken worden vaak van voedselrijke klei gemaakt en zijn wat dat betreft uniformer van samenstelling dan oude dijken. Bij de oude dijken zorgde de variatie voor extra overgangen, oftewel gradiënten, wat de natuurwaarde weer vergroot.
Té intensief gebruik van de dijk kan ook de ecologische waarde verminderen, bijvoorbeeld een te intensieve begrazing of beschadiging door te zwaar maai- en afruimmaterieel. Het inwaaien van meststoffen maakt de vegetatie minder schraal en daardoor gewoonlijk ook minder waardevol.
Een vergelijkbare achteruitgang kan veroorzaakt worden door zure regen.Een schrale kruidenvegetatie komt onder druk door de aanplant van bomen en struiken.
