Beheer, behoud, ontwikkeling

Aantastingen en bedreigingen
Het verlies van de waterkerende functie verkleint de kans op het behouden blijven van de dijk. Veel dijken in Zeeland, op de Zuid-Hollandse eilanden en in Friesland en Groningen die ooit zeedijk waren zijn nadat ze landinwaarts kwamen te liggen afgegraven. Een aantasting van de landschappelijke waarde kan ook de verbreding en ophoging van de dijk zijn. Denk hierbij ook aan de discussie over de verzwaring van dijken in het rivierengebied.
Een te intensieve begrazing of het gebruik van zwaar materieel bij het beheer kan de stabiliteit van een dijk aantasten. Hetzelfde geldt voor gebruik van de weg op of onderlangs de dijk door te zwaar verkeer: elkaar passerende zware voertuigen kunnen de dijk of de dijkvoet beschadigen. Een traditioneel profiel kan verstoord worden door het weghalen of juist het aanplanten van bomen en struiken. Verder worden veendijken bedreigd door verdroging, en allerlei dijken door ondermijning door graafwerk van de mens, maar ook van dieren, zoals muskusratten. Andere dijken zijn afgegraven bij zandwinning, of afgevlakt.

Beheeropties

Behoud en consolidatie
Bij het behoud en beheer van dijken is het cultuurhistorisch van belang dat het profiel van de dijk bewaard blijft. Dus niet alleen de dijk zelf, maar ook de sloot of wetering die aan de voet van de dijk ligt. Van de twee dijksloten aan de voet van een dijk is helaas vooral die aan de landzijde nogal eens gedempt. Is dat niet het geval, dan moet de sloot op diepte gehouden worden. Beschadiging van de dijk moet bijtijds geconstateerd worden en worden doorgegeven aan de bevoegde instanties. Oude kaarten en bijvoorbeeld keurreglementen kunnen informatie gegeven over het oude profiel van de dijk.
Een onderdeel van het behoud van de landschappelijke waarde kan het behoud van een boom- of struikaanplant op de dijk zijn of een rij knotbomen aan de voet van de dijk. Gaten die daarin zijn gevallen worden gewoonlijk aangevuld met dezelfde soort, maar er kan ook gekozen worden voor een geleidelijke omvorming naar een andere soort, bijvoorbeeld omdat die minder snel groeit en minder hoog wordt en dus minder bedreigend is voor het dijklichaam. In een heg worden de gevallen gaten opgevuld, maar zorg bij nieuwe aanplant wel voor bescherming als er sprake is van begrazing op of bij de dijk.
Knotwilgen langs of op de dijk worden eens in de vier jaar geknot, knotessen eens in de zes à acht jaar. Hakhout van zwarte elzen wordt eens in de acht à tien jaar laag afgezaagd. Voorkom met het beheer dat er te veel schaduw op de zuidkant gaat vallen. Eventueel aanwezige struiken moet je zo nu en dan terugsnoeien. Staan er laanbomen op of langs de dijk, voer daar dan het reguliere laanbomen onderhoud uit: dubbele koppen er uit halen, plakoksels en dood hout verwijderen. Snoei de bomen eventueel zo nu en dan wat op, bijvoorbeeld omdat laaghangende takken problemen opleveren voor het verkeer of bij het maaibeheer.
Dijken hadden vaak een teen die versterkt was met bijzondere keien. Zowel zandsteen als harde natuurstenen werden gebruikt. Na 1830 werd overgestapt op basalt, omdat de relatie met België, waar veel natuursteen vandaan kwam, was verslechterd. Iedere steensoort kent zijn eigen korstmossen.
Is deze bescherming nog intact, en niet bijvoorbeeld geasfalteerd, dan is het zaak die te behouden.
Voor een stevige zode op een dijk met waterkerende functie moet een beheer uitgevoerd worden dat verruiging voorkomt maar ook een al te sterke verschraling. Het overgrote deel van de historische dijken is echter niet waterkerend meer, daarom ligt hieronder de nadruk vooral op het vergroten van de natúúrwaarde van de dijk.
Het is belangrijk dat bij het beheer van die 'fossiele' dijken het contrast tussen de warme kant en de koude kant in stand wordt houden. De floristische waarden blijven behouden door een beheer van maaien en afvoeren: verschraling van de vegetatie. Als er twee keer per jaar gemaaid wordt, doe dat dan omstreeks begin juli en midden september, in verband met zaadvorming en de overlevingsmogelijkheden van vlinders en rupsen. Bij één keer per jaar maaien kan dat het beste in de loop van juli of augustus gebeuren. Maai indien mogelijk niet een al te groot oppervlak in een keer af. Gebruik geen zwaar materieel, maar maai met de eenassige trekker (liefst met dubbele banden). Stel de maaibalk niet té laag af, maar geef allerlei bodemleven de kans te overleven, en voorkom zo ook beschadiging van de zode. Laat het maaisel een paar dagen (maar niet langer!) liggen voor het afgeruimd wordt. Doe ook dat afruimen met licht materieel. Het is geen probleem als her en der wat maaisel blijft liggen. Wanneer het gebruik van licht materieel een probleem oplevert omdat het veel tijd kost is het soms mogelijk te kiezen voor een tractor die op de weg op of langs de dijk rijdt en met een lange arm de vegetatie afmaait. Is dit allemaal niet mogelijk, dan verdient begrazing van de dijk in een deel van het jaar de voorkeur. Begrazing kan plaatsvinden door schapen of eventueel geiten (maar dat laatste niet als er houtachtige gewassen op de dijk staan). Daarbij moet té intensieve begrazing worden vermeden. Klepelen en direct afvoeren van de vegetatie is ongewenst want dan wordt vrijwel al het dierlijk leven op de dijk ook afgevoerd of gedood.

Restauratie
Doorgravingen van dijken, bijvoorbeeld ten behoeve van wegen, kunnen meestal niet meer ongedaan gemaakt worden. Wel kan vaak op plaatsen waar om andere reden het profiel is aangetast die schade worden hersteld, bijvoorbeeld door de dijksloot aan de teen van de dijk te hergraven en kleine 'kuilen' en verzakkingen in het dijklichaam op te vullen. Streef ook naar herstel op andere plaatsen waar het historische profiel van de dijk is aangetast. Denk hierbij aan bijvoorbeeld verdwenen knotwilgen aan de voet van de dijk. Het is dan wel nodig vooraf vast te stellen wat het oorspronkelijke profiel was. En neem contact op met instanties als waterschap en provincie (archeologen).

Reconstructie
Als de mogelijkheid bestaat een verdwenen dijk te reconstrueren, doe dat dan op plaatsen waar uit kaartmateriaal blijkt dat er vroeger inderdaad een dijk lag. Het kan ook om een kort gedeelte van een dijk gaan waaraan een bepaald historisch feit of verhaal verbonden is. Een argument voor reconstructie kan ook het vergroten van recreatieve mogelijkheden zijn, of een initiatief tot natuurontwikkeling.
Een dijk kan ook symbolisch 'hersteld' worden door herstel van een dijksloot of door een specifiek beplantingspatroon: de aanplant van een bomenrij of een heg op de plaats waar een dijk verdwenen is. Ook kan een verdwenen dijk zichtbaar gemaakt worden door de aanleg van een wandelpad.

Behoud door ontwikkeling
Dijken kunnen door hun grote lengte een belangrijke ecologische functie krijgen. Bovendien liggen ze per definitie op de grens van nat en droog, wat extra mogelijkheden biedt. Dankzij natuurontwikkeling kan dus de kans dat een historische dijk behouden blijft vergroot worden. Er is daarnaast sprake van een groeiende belangstelling voor de recreatieve waarde van dijken, als wandelroutes bijvoorbeeld. Deze nieuwe toeristische en economische functie versterkt ook de positie van de dijk.