Dijktypen

Wat en waar

Image


Een dijk is een langs of in de buurt van een water(-gang) aangelegde verhoging die moet voorkomen dat het water zich uitbreidt over de langs de watergang gelegen landerijen.

De oudste zee- en rivierdijken in Nederland dateren waarschijnlijk al uit de 11e eeuw. In het begin ging het om door de lokale bevolking opgeworpen dijken, die wateroverlast bij het eigen dorp moesten voorkomen. In het rivierengebied ging het meestal om dijken die dwars op de rivier lagen en zo de overlast verder stroomopwaarts vergrootten. Om dorpen werden soms extra ringdijken aangelegd voor bescherming van woningen en nabijgelegen akkers. Later is het dijkstelsel uitgebreid, waarbij regionale samenwerking noodzakelijk was. Waterschappen zorgden daarvoor, de oudste dateren uit de 12e of 13e eeuw. Gewoonlijk wordt ervan uitgegaan dat omstreeks 1300 de rivieren in laag Nederland aaneengesloten bedijkt waren.
In het kustgebied werden de eerste dijken aangelegd rond 1100. Die aanleg was eerst defensief: de dijken moesten de bewoners van het land beschermen tegen hoog water. Later kregen dijken ook een offensief karakter, wanneer ze dienden voor het vergroten van het areaal bewerkbaar land. Dat gebeurde bijvoorbeeld door het bedijken van schorren. Vanaf ongeveer 1600 gebeurde dit aanwinnen van land op steeds grotere schaal, en de dijken volgden niet meer allerlei natuurlijke begrenzingen, zoals die tussen schor en dieper water. De dijken werden bovendien hoger en
steviger.
In het laagveengebied was de aanleg van dijken of kaden nodig om een waterscheiding te krijgen tussen ontgonnen en niet-ontgonnen gebied. Laagveen in ontgonnen gebieden klonk namelijk in en kwam daardoor lager te liggen dan het niet-ontgonnen land. Waarschijnlijk waren in de laagveengebieden in eerste instantie geen dijken langs de rivier nodig doordat het in gebruik genomen land hoog genoeg lag.
De term 'dijk' wordt ook gebruikt voor een verhoogd aangelegde weg door een moerassig gebied. Het verschil met een kade is dat die gewoonlijk is aangelegd tijdens een ontginning en doorgaans ook niet langs een natuurlijk water, maar langs een gegraven watergang. In de hoogveenontginningen in Brabant en Limburg wordt de term 'dijk' ook gebruikt voor verschillende elementen in de hoogveenontginningen, zoals de stroken land die bij het afgraven werden gespaard om als afvoerroute te dienen (ook wel 'veenbaan' geheten). Ook legakkers waarop uitgeschept veen te drogen werd gelegd worden wel 'dijk' genoemd.
Bij dijken horen elementen als sloten, weteringen die parallel aan de dijk lopen, maar ook wielen, naar de dijk toelopende vlieten, uiterwaarden, boezemlanden, molens en allerlei grenspalen en -bomen. Bij sommige dijken horen schotten en schothuisjes.

In alle provincies van Nederland komt wel een van de dijktypen voor, maar we vinden ze vooral in het kustgebied en langs de rivieren.