Achtergronden
De groeven en profielwanden vallen op doordat ze verdiepingen vormen die niet natuurlijk te verklaren zijn. Veel van deze elementen zijn verbonden met andere in het landschap. Zo horen slakkenhopen en resten van houtskoolmeiers bij ijzerkuilen en was er in verband met het vervoer van de gewonnen stof vaak sprake van een bijbehorende infrastructuur, bijvoorbeeld karwegen of smalspoor.
Van een aantal landschappelijke overblijfselen van de winning van delfstoffen volgt hieronder een omschrijving.
• Daliegat
Een daliegat is een gat dat gegraven is om klei of kalkhoudende zavel onder een veenlaag vandaan te halen. De maximale diepte tot waarop dat werd gedaan is een meter of twee. De klei werd ter verbetering van de grond (namelijk om graanteelt mogelijk te maken) over het veen uitgestrooid. Ze hebben een diameter van 2 à 3 meter. Doordat de gaten weer werden opgevuld vormde zich door klink later een diepte.
Ook op plaatsen waar nu de veenlaag verdwenen is komen daliegaten voor, een verschijnsel dat herinnert aan die veenlaag. Veel van deze gaten dateren uit de 9e tot 13e eeuw, maar er zijn waarschijnlijk ook nog daliegaten gegraven in de 16e tot 18e eeuw, ten behoeve van verbetering van de akker voor de hennepteelt. Latere gaten kunnen groter zijn: tot een diameter van 7 meter.
In de Zeevang zijn door Mulder en Van Steenbergen bij bodemkundig onderzoek meer dan 100 daliebulten ontdekt, dat wil zeggen daliegaten die juist iets uitsteken boven het maaiveld. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het aanstampen van het teruggeworpen materiaal, waardoor het minder snel inklonk en oxideerde dan de omgeving.
Daliegaten komen vooral voor in de veengebieden van Holland en Utrecht, in het centrale deel van West-Friesland (een kleigebied dat vroeger door veen bedekt was), in de Zeevang en in de Beemster.
• Grindkuil
Een grindkuil is ontstaan door de winning van grind. Vaak raken de kuilen gevuld met water, dan is het een grindput of plas. Grindwinning gebeurt op grote schaal in en bij de Maas, maar op kleinere schaal wordt/werd overal waar het grind in de ondergrond aanwezig is grind gewonnen.
• IJzerkuil
IJzererts of ijzeroer werd in de bronstijd en in de Romeinse tijd in Zuid-Limburg gewonnen. Ook op de Veluwe en in Montferland werd van de zevende tot en met de negende eeuw ijzer gewonnen. IJzer werd door verhitting gehaald uit klapperstenen, zoals die bijvoorbeeld op de stuwwal van Apeldoorn vrij dicht aan de oppervlakte kwamen. Het erts ligt daar in lagen en is simpel te winnen door die laag af te graven. Daardoor ontstaan lange rijen kuilen in het landschap. IJzer was een zeer waardevol product in die tijden en bij de ijzerwinning hoorde dan ook een infrastructuur van karwegen voor het vervoer en de ringwalburcht bij Uddel (Hunnenschans) zou volgens sommige onderzoekers mede aangelegd zijn om de transportroute te beschermen. Andere elementen die bij de ijzerproductie horen zijn houtskool meiers waarin de houtskool werd gemaakt die nodig was voor het uitsmelten van het ijzer en slakkenhopen: als ijzer uit de klapperstenen was gehaald bleven als afvalproduct slakken over, die op afvalhopen werden gegooid. Een erg groot exemplaar ligt in het Orderbos bij Apeldoorn.
• Inlaag
Een inlaag is een stuk land achter een dijk waar klei is afgegraven om de dijk te verhogen. Later ontdekte men dat met de kleiwinning de dijk verzwakt werd. Daardoor was de aanleg van een zogenaamde inlaagdijk iets verder landinwaarts nodig: een soort reservedijk. Het tussengelegen gebied wordt daarna de inlaag genoemd. De inlaag heeft door zijn lage maaiveld extra waarden voor vegetatie (onder andere als een gevolg van zoute kwel) en vogels. Blijft het water zoet, dan kan veenvorming optreden.
Voor een inlaagdijk werd soms ook gekozen wanneer er buiten de zeedijk een diepe geul liep. Dat bracht voor die dijk het gevaar van dijkval (wegzakken van de dijk). Daarop anticiperend legde men de inlaagdijk aan. Omdat het gevaar dat de inlaag verloren zou gaan reëel was, ging men daar vaak klei afgraven voor dijkversterkingen. Wordt de kleilaag helemaal weg gegraven, dan kan een zout 'binnenmeer' ontstaan.
Inlagen zijn heel typerend voor het landschap van de Zeeuwse delta. Ze laten zien hoe de bewoners zich in deze regio tegen de zee hebben geweerd.
• Karrenland of -veld
Met de naam 'karrenland' wordt een achter de zeedijk afgegraven perceel aangeduid, maar zonder inlaagdijk. De naam is ontleend aan het met karren afvoeren van de klei. Het karrenland heeft dezelfde ecologische waarden als de inlagen, dankzij hoge waterstanden en zoute kwel.
• Kiezelkuil
Kiezel werd gewonnen voor gebruik als wegverharding. Kiezelkuilen komen onder andere in Zuid-Limburg voor.
• Kleiput/tichelgat
De begrippen kleiputten en tichelgaten worden vaak door elkaar gebruikt. Beide benamingen wijzen echter op een andere ontstaansgeschiedenis. Terwijl kleiputten zijn ontstaan door de winning van klei voor herstel, onderhoud of ophoging van de winterdijken, zijn tichelgaten gevormd door het winnen van klei voor de steenbakkerijen. Door de eeuwen heen ontstonden er langgerekte zones van deze kleiputten en tichelgaten, waarin zich kleine plassen vormden met diepere en minder diepe delen. Het woord 'tichel' is afgeleid van het Latijnse tegula (dakpan).
Als de uitgegraven klei werd gebruikt voor het aanleggen of verstevigen van een spoordijk worden de hierdoor ontstane wateren ook wel spoorput genoemd. Ze liggen uiteraard dichtbij spoorwegen en hebben vaak een rechthoekige vorm. Mooie voorbeelden zijn te vinden langs het spoor tussen Utrecht en Gouda.
• Leemkuil
Een leemkuil is een kuil waaruit leem gewonnen is ten behoeve van de bouw van huizen, bakovens, en het leggen van vloeren. Van de leem konden stenen gebakken worden. Ook werd het gebruikt voor verbetering van het bouwland: als meststof. Bij de leemkuil kan zich een veldoven bevinden, waarin de leem tot
stenen werd gebakken. De winning van leem kon gecombineerd worden met de winning van zand. Leemkuilen komen op veel plaatsen in Nederland voor, vaak op stuwwallen en in beekdalen. Leemwinning gebeurde tot in de negentiende eeuw.
• Mergelwand/-groeve
Dit is een groeve of wand waaruit mergel is gewonnen. De mergel wordt als meststof gebruikt: voor de bekalking van het land. In feite leidt dat tot de versnelde opname van de in de grond aanwezige mineralen. Mergel wordt ook gebruikt als bouwmateriaal, al in de Romeinse tijd en nu nog steeds. Winning van mergel vindt zowel plaats in dagbouw als in groeven. De ENCI graaft de Pietersberg af voor mergel. Er liggen veel van die kalksteengroeven in Zuid-Limburg. In de grote steengroeve in Winterswijk wordt nog steeds kalksteen gewonnen, in dagbouw. In de nabijheid van sommige groeves zijn nog kalksteenovens te vinden.
• Moernerings- en selneringsresten
Plekken in het zuidwestelijk zeekleigebied waar ten behoeve van zoutwinning turf is afgegraven. De turf werd verbrand, zout (afkomstig van zout water) was het resterende product. Resten hiervan vinden we in de oudlandpolders van Zuid-Beveland, zoals de Yerseke Moer en de Kapelse Moer. Het toont zich als een kleinschalig landschap met veel kleine hoogteverschillen ('hollebollig land'). Op bijna alle andere plaatsen is dit bijzonder fenomeen door egalisatiewerkzaamheden verdwenen. Onlangs is door Van Geel en Borger aangetoond dat er ook in Noord-Holland op grote schaal zout is gewonnen (aanvankelijk uit turf, later ook uit zeegras).
• Slakkenhoop
Een ijzerslak is restproduct, afval dat overblijft nadat ijzer uit een klappersteen is gewonnen. In het Orderbos bij Apeldoorn ligt een slakkenheuvel van 40 meter diameter: een product van grootscheepse ijzerwinning in de buurt van Assel. Er is vaak sprake van een opmerkelijke soortenrijkdom aan planten op dergelijke slakkenhopen. In het verleden zijn deze afvalproducten vaak gebruikt om een weg of pad gedeeltelijk te verharden.
• Vuursteengroeve
Vuursteengroeven zijn uitgehakte holten in kalksteenwanden, ten behoeve van de winning van vuurstenen. Naderhand zijn ze vaak volgestort met afval en mislukte halfproducten. Vuursteen werd al in de prehistorie gebruikt voor het maken van gereedschap en bijvoorbeeld speerpunten, bijlen. Gangen konden verschillende meters diep worden: mijnbouw dus, niet langer dagbouw. Er was vaak sprake van een centrale schacht met minder diepe zijgangetjes. Ze zijn gegraven in de prehistorie, van 4000 tot 3400 voor Chr., met behulp van gereedschap van vuursteen en gewei.
Ze worden gevonden op flanken van plateaus rond Valkenburg aan de Geul en Rijckholt. Veel vuursteengroeven zijn erg beschadigd of verdwenen door het afgraven van de helling voor de winning van kalksteen.
• Zandkuil
Een zandkuil is een rest van kleinschalige zandwinning. Door die winning ontstonden steilranden van 1 tot 2 meter hoogte. Als dat gebeurde aan de rand van beekdalen lijken die randen natuurlijk, maar dat zijn ze niet.
