Achtergronden

Bij detailonderzoek in het Duitse Flögeln en het Drentse Zeijen is duidelijk geworden dat in de geschiedenis van de celtic fields twee fasen zijn te onderscheiden: (1) een extensieve gebruiksfase die duurde van 1100 tot 250 voor Christus; (2) een intensieve gebruiksfase van 250 voor tot 300 na Christus.
In de vroegste periode hadden de celtic fields de nog niet de voor deze akkercomplexen zo kenmerkende walletjes rond de akkers. De percelen werden toen mogelijk begrensd door gevlochten omheiningen of heggen. Enkele van deze percelen werden gebruikt voor de boerderijen en bijbehorende bedrijfsgebouwen. Deze kleine nederzettingen (hooguit 3-5 boerderijen) lagen dus binnen het toenmalige celtic field. Slechts een deel van het celtic field werd bewoond en gecultiveerd. Daarna werd dat deel voor tientallen jaren verlaten ten gunste van een ander deel van het celtic field. Nederzettingen zwierven dus als het ware over de celtic fields. De akkers lagen in die tijd zo lang braak dat ze overgroeid raakten met grassen, kruiden, heide en struiken. Wanneer men het veldje opnieuw in cultuur wilde nemen, brandde men de struiken en heidevegetatie af en verwijderde men de dichte zodenlaag met de hand. Het vrijkomende materiaal werd aan de rand van de akker gedeponeerd, alwaar geleidelijk aan een lichte verhoging ontstond: de aanzet voor de wallen. De belangrijkste gewassen van de celtic fields waren emmertarwe, bedekte gerst, duivenboon, pluimgierst en huttentut.

In de laatste eeuwen vóór de jaartelling werd het landgebruik sterk geïntensiveerd. In deze fase blijken de akkertjes niet langer door omheiningen te zijn omgrensd, maar door brede zandwallen. Het zandige materiaal kwam zowel van de akkers zelf als uit de omgeving. In deze fase werden niet de veldjes, maar juist de zandwallen gebruikt om gewassen op te telen. De wallen hadden inmiddels een betere bodemgesteldheid dan de veldjes. Daarnaast ontstonden er op de akkers mogelijk problemen door de stijging van het grondwater. In de periode rond het begin van de jaartelling zijn veel bossen gekapt. Door het kappen verminderde de verdamping en steeg het grondwaterpeil. Op de wallen had men daar minder last van.
Ook het gebruik veranderde. De akkers werden langduriger en frequenter gebruikt, geen lange braakperioden. Ook werd er met zwaarder materieel geploegd, een eergetouw met ijzeren ploegschoen. Interessant is ook de recent geconstateerde verbouw van het gewas rogge in de eindfase van de celtic fields. Dit gewas arriveerde weliswaar reeds rond de jaartelling als cultuurgewas in onze streken, maar tot voor kort nam men aan dat dit gewas hoorde bij de vroegste essen en niet bij de celtic fields.

Nog steeds worden celtic fields ontdekt op plaatsen waar inmiddels bos staat en waar de wallen moeilijk zijn te herkennen. Dit gebeurt dankzij het beschikbaar komen van het Actueel Hoogtebestand Nederland. In dit digitale bestand worden zeer kleine hoogteverschillen zichtbaar gemaakt, waardoor restanten van de walletjes rondom de celtic fields opvallen.

Lang werd gedacht dat celtic fields legerkampen waren. Dit idee is in de 17e eeuw geopperd door de Drentse predikant Johan Picardt. Hij dacht dat de perceeltjes aangaven waar de tenten stonden. Tot in de 20e eeuw kwam de term 'heidensche legerplaatsen' voor op topografische kaarten. Er liggen in totaal duizenden hectaren celtic field in Nederland (zie kaart).