Achtergronden

In de Gouden Eeuw (17e eeuw) werden in Nederland veel mensen rijk door de handel. Het werd toen mode om als welgesteld stadsbewoner een huis buiten te bouwen. Beroemde buitenlui waren bijvoorbeeld Jacob Cats en Constantijn Huygens. In Zeeland werden in deze eeuw door rijke kooplieden uit Middelburg en Vlissingen ook veel buitenhuizen gebouwd, in de binnenduinrand en op kreekruggen. In Holland werden ook veel buitenplaatsen aangelegd in de Watergraafsmeer, de Beemster en langs de Amstel en de Vecht. Het verschijnsel hangt samen met de romantisering van het buitenleven in literatuur en bijvoorbeeld schilderkunst.

Ook in latere eeuwen was het naar buiten trekken van bijvoorbeeld rijk geworden handelaren onderhevig aan modeverschijnselen, terwijl de economische voorspoed er ook een rol in speelde: de trek naar buiten nam uiteraard toe nadat er extra veel geld was verdiend. Ook speelde de groeiende belangstelling voor landbouw en andere mogelijkheden om de opbrengst van het land te vergroten een rol, vooral aan het eind van de 18e en in de eerste helft 19e eeuw. Verschillende rijk geworden stadsbewoners zagen voor zichzelf een voortrekkersrol weggelegd bij bijvoorbeeld het in cultuur brengen van 'wildernissen', zoals bossen en duinen en de droogmakerijen.

De inrichting van het groen rond het buitenhuis was aan modetrends onderhevig. De belangrijkste perioden zijn daarbij de landschappelijke en de rationele of formele stijl. Vaak werd een buiten helemaal gerestyled wanneer er een nieuwe mode op was gekomen. Maar er zijn ook buitenplaatsen waar nu de elkaar opvolgende modes nog af te lezen zijn aan de inrichting. In de 17e en 18e eeuw werd in het algemeen voor een formele stijl gekozen, de Franse, met geometrische vormen. Vanaf het einde van de 18e eeuw kwam de Engelse landschapsstijl op, met kronkelende paden, slingerende waterpartijen, verhogingen en boomgroepen.

De modetrends waren een uitdrukking van houding van de mens ten opzichte van de natuur. In de rationele stijl probeerde men nadrukkelijk de natuur te 'temmen', in de landschapsstijl paste meer een aanpassing van de mens aan de natuur. Op paleis 't Loo in Apeldoorn is na de reconstructie te zien dat het feitelijke tuingedeelte een strak rationeel karakter draagt, terwijl in het omringende park nog allerlei lijnen herinneren aan de landschapsstijl.

Van een aantal elementen dat regelmatig voorkomt op buitenplaatsen volgt hieronder een definitie.

• Arboretum
In een arboretum is een collectie van boomsoorten. De aanleg heeft een recreatieve functie, maar kon ook uit wetenschappelijke belangstelling voorkomen en uit het populaire verzamelen van rariteiten. Staan er in zo'n collectie alleen naaldbomen, dan is het een pinetum.

• Berceau
Een berceau is een heggenstelsel dat zo is geknipt dat de heggen zich boven het hoofd van de
wandelaar op het pad sluiten. Bekende voorbeelden liggen bij 't Loo, op landgoed Mariëndaal tussen Arnhem en Oosterbeek en in de Prinsenstuin in de stad Groningen. Het verhaal gaat dat op die manier voor de bewoners een wandeling buiten mogelijk was zonder dat hun witte huid werd blootgesteld aan zonlicht.
Het verschijnsel past bij de Franse landschapsstijl. Een berceau wordt ook wel loofgang genoemd.

• Bosket
Een bosket (of bosquet) is een hakhout of productiebos, doorsneden door paden en omzoomd door een hoge heg.

• Duiventil
Een duiventil is een statussymbool: alleen de rijkste eigenaren van buitenhuizen en landgoederen konden zicht de hoge belasting veroorloven die verbonden was aan het inrichten van een duiventil. Die werden gewoonlijk dan ook duidelijk in het zicht neergezet.

• Folly
Wanneer iemand een 'nutteloos' bouwsel maakt zonder duidelijke functie, maar vaak wel met een verwijzing naar een wel functioneel type gebouw, noemen we dat een folly. Bij de Langbroekerwetering ligt zo'n folly in de vorm van een kapel. Het verschijnsel wordt vaak geassocieerd met de Romantiek.

• Laan
Bij een laan is sprake van een aan twee kanten van een weg geplante bomenrij. Kenmerkend voor een laan zijn de brede bermen. Het laaneffect verdwijnt vaak doordat de berm volgroeid met struiken. Gewoonlijk bestaat de aanplant uit één boomsoort en het effect is het grootst wanneer alle bomen ongeveer dezelfde leeftijd hebben en er een soort is gebruikt die bijvoorbeeld in het omringende bos niet of weinig voorkomt. Als laanbomen worden al eeuwenlang beuken gebruikt, maar ook eiken-, linden- en iepenlanen komen traditioneel voor. Een mooie walnotenlaan ligt bij Mariënwaardt in de
gemeente Geldermalsen. Meer recent zijn lanen met platanen, abelen en esdoorns. De aanplant van bomen langs wegen werd gestimuleerd door Napoleon door het zogenaamde voorplantrecht: aanwonenden mochten langs rijkswegen bomen planten om zelf het hout te oogsten. Een laan wordt ook wel allee genoemd.

• Rosarium
Een rosarium is een rozentuin, in het algemeen met regelmatig gevormde perken met paden ertussen.

• Slingermuur
Bij een slingermuur ontstaan door de golvende lijn nissen waarin extra luwte en extra warmte voor komt. Er bestaan zelf verwarmde slingermuren. De muur ligt vaak aan de zuidkant van een moestuin en vormt de begrenzing met de boomgaard. Op die warme plaats is de teelt van gewassen mogelijk, bijvoorbeeld lei-abrikozen, waarvoor normaal gesproken het klimaat in Nederland niet zacht genoeg is. Een variant op de slingermuur is de hoekige of half rond lopende leimuur.

• Spreng
Een spreng is een kunstmatige watergang die dient voor het verzamelen van grondwater. Zie verder bij Sprengen.

• Sterrenbos
Een sterrenbos is een bos waarin de paden stervormig lopen vanuit een centraal punt. Een mooi voorbeeld ligt bij kasteel De Schaffelaar bij Barneveld, een ander is de Zevensprong op Einde Gooi. Van sommige bossen is pas na het in kaart brengen van de paden of bestudering van oude kaarten vastgesteld dat het ooit een sterrenbos was. De bossen hebben vaak een functie bij de houtproductie.

• Vijver
Vijvers bij buitenplaatsen (en landgoederen) kunnen verschillende functies hebben. Sommige dienen om het water dat door sprengen wordt aangevoerd te verzamelen, waarna met de opgebouwde 'waterkracht' bijvoorbeeld een watermolen kan worden aangedreven. Deze vijvers worden weijer(d) genoemd.
Andere vijvers zijn visvijvers, of maakten deel uit van een grachtenstelsel dat de woning of het
kasteel beschermde.

• Vinkenbaan.
Een vinkenbaan is een terrein dat ingericht is om vinken (of andere vogels) te vangen. De vogels werden opgegeten of verkocht. Als vangmiddel werden gewoonlijk netten gebruikt. De banen lagen vooral in de binnenduinrand. Vinkenbanen die nu nog bestaan worden gebruikt voor vogelonderzoek, bijvoorbeeld van de trek. Veel vogels worden er geringd.

• Warande
Een warande is een voor het houden van dieren ingericht stuk terrein. Vaak ging het daarbij om konijnen, die vanaf de Middeleeuwen een gewilde bontsoort leverden. Voor die waranden werden vaak kosten noch moeiten gespaard om de roofdieren zoals vossen , maar ook stropers, buiten te houden en uiteraard de konijnen binnen.