Beheer, behoud, ontwikkeling
Aantastingen en bedreigingen
Veel boerderijen verliezen hun agrarische functie. Nieuwe bewoners nemen hun intrek en zijn zich niet bewust van streekeigen gewoontes, onderhoud van het erf of functies van gebouwen. Functieverandering vormt een bedreiging indien er geen rekening wordt gehouden met tradities en gewoonten en men niet op de hoogte is van de cultuurhistorische en natuur waarden. Bijgebouwen worden afgebroken of anders ingericht, de tuin kan het uiterlijk van een 'stadse' tuin krijgen, met coniferen en taxus- of ligusterhagen in plaats van de traditionele meidoorn en veldesdoorn, met ook een overdaad aan leibomen en schuttingen. Steeds vaker moet de boomgaard of een ander deel van de beplanting wijken voor de aanleg van een paardenbak. Bovendien worden heidetuinen en coniferentuinen aangelegd. Er verschijnen steeds meer fantasietuinen bij boerderijen, inclusief kabouters en vijvers.
Behoud en consolidatie
Is het erf nog grotendeels of helemaal in historische staat, dan is behouden voldoende door bijvoorbeeld inboeten van uitvallende bomen en heesters. De 'historische staat' wil niet zeggen dat het erf nog altijd de oorspronkelijke vormen heeft. Latere veranderingen en aanpassingen aan de heersende mode zijn interessant en hebben een eigen historische waarde. Slechts in enkele gevallen is het zinvol om latere wijzigingen ongedaan te maken, bijvoorbeeld als daarmee een zeldzaam of bijzonder erf- of tuintype wordt hersteld
De verschillende elementen van het erf moeten worden onderhouden Zie voor de praktische uitvoering van de werkzaamheden de hoofdstukken over hoogstamboomgaarden, heggen en hagen, houtsingels, knotbomen en geriefhout.
Restauratie
Bij restauratie is sprake van een herstel van de historische situatie met behulp van resterende originele elementen. Wanneer er nog resten van de historische paden en beplanting aanwezig zijn, wordt er bij restauratie naar gestreefd die oude elementen weer tot hun oorspronkelijke grootte aan te vullen. Hier is dus een weloverwogen planning of plan van aanpak noodzakelijk, met een daarbij behorend ontwerp dat daarna consequent wordt uitgevoerd. Let daarbij op de regionale variatie en de traditionele keuze voor elementen met weinig onderhoud. Reconstructie Reconstructie van een erf vindt plaats als er geen of nauwelijks resten van de oude aanleg meer zijn. Historisch onderzoek is hier de basis voor de herinrichting. Zo'n reconstructie kan bijvoorbeeld plaats vinden aan de hand van het oorspronkelijke ontwerp, aan de hand van oude foto's, of op basis van een reconstructietekening als resultaat van Oral history.
Bij inrichting van een erf moet goed gekeken worden naar wat er in de betreffende streek gebruikelijk is. Kies voor streekeigen constructies, vormen en soorten. Kies een gewenste referentieperiode die zo nauw mogelijk aansluit bij de omgeving. Houd ook rekening met het type boerderij. Bij een herenboerderij past een grote siertuin, bij een kleine boerderij op arme grond niet.
Bij sierelementen is de regionale aanpassing minder belangrijk, maar ook daar is het verstandig om beplanting te kiezen die in de regio van oudsher voorkomt. Let daarbij op bodemgeschiktheid. Natte gronden zijn bijvoorbeeld minder geschikt voor beuk, linde en eik, vooral grotere formaten slaan moeilijk aan. Hetzelfde geldt voor bepaalde soorten fruitbomen. Kersenbomen verlangen een goed gedraineerde en vruchtbare grond en ook voor de meeste appelsoorten is natte en laaggelegen grond niet geschikt (zie de literatuur bij het hoofdstuk hoogstamboomgaard). Bij de nieuwe aanplant worden bomen en struiken gewoonlijk veel te dicht bij elkaar gezet. Geef bomen flink de ruimte, waardoor ze een 'natuurlijke' vorm kunnen ontwikkelen en goed bereikbaar zijn voor zonlicht en wind. Dat houdt de boom gezond en vergroot zijn landschappelijke waarde.
Bij aanplant van een gemengde beplanting moet men de soorten op elkaar afstemmen wat groeisnelheid en lichtbehoefte betreft. Anders gaan de snelgroeiende soorten overheersen en verdwijnen de langzamer groeiende en de soorten die veel licht nodig hebben.
Houd vee weg uit de aanplant door aanleg en onderhoud van een afrastering. Of graaf een sloot of greppel als afscherming en zorg dat die op diepte blijft. Als er palen met een boomband bij de boom zijn gezet haal die dan weg voordat de boom zich erin wurgt of tegen de paal aangroeit. Wacht met het opsnoeien van een boom - bijvoorbeeld omdat er vrij hoog verkeer onder door moet - niet tot de zijtakken te dik zijn. Snoei niet automatisch alle bomen op, als daar geen reden voor is. In de kroon van de boom moet eigenlijk alleen gesnoeid worden wanneer er sprake is van dubbele koppen, plakoksels of andere verschijnselen die later tot overlast (zoals takbreuk) zouden kunnen leiden. Snoei nooit meer dan éénderde van de kroon. Is er materiaal aangeplant voor hakhoutbeheer, zaag dan bij de eerste keer de stammen ongeveer15 centimeter boven de grond af, en niet lager. Dit is nodig omdat de afzethoogte bij het vormen van de stoof in de loop van de tijd hoger komt te liggen.
Bij de aanplant van een laan worden de bomen direct op de uiteindelijk gewenste afstand gezet. Plaats ook hier de exemplaren niet te dicht bij elkaar. Een flink uitgegroeide boom heeft al gauw 8 tot 10 meter nodig en sommige soorten zelfs nog meer. Men kan ook kiezen voor een kleinere afstand waarna bij het aanraken van de kronen de helft wordt gedund.
Behoud door ontwikkeling
Steeds vaker komt het voor dat een 'stadsbewoner' niet alleen de boerderij en het omringende erf koopt, maar ook een of twee hectare grond extra, bijvoorbeeld om zelf dieren te gaan houden of een boomgaard in te richten. Dat biedt kansen om allerlei oude elementen die aangetast of al verloren zijn gegaan opnieuw te introduceren, zoals een poel, hoogstamboomgaard, geriefbosje, heg of houtsingel. Bij nieuwe bewoners is vaak sprake van een grote belangstelling voor het historische landschap. Door het opnemen van boerderijen en boerenerven in nieuwe stadswijken kunnen ze gaan fungeren als stads- , kinder- of zorgboerderij. Dat biedt mogelijkheden voor het handhaven en versterken van de cultuurhistorische kenmerken van het boerenerf.
Bij een boerderij in Oostwold is het herstel van de slingertuin gecombineerd met de aanleg van een kleine 18-holes golfbaan. De boerderij is ingericht als eetcafé. Bij de reconstructie van de tuin zijn oude luchtfoto's gebruikt
