Achtergronden

Boerenerven zijn zo oud als de oudste boerderijen in Nederland. Op de Zuidlimburgse lössgrond werd al zo'n 6000 jaar geleden aan landbouw gedaan, maar de oudste boerderijen waarvan nog resten zijn gevonden zijn ongeveer 2000 jaar oud. Vanaf welk tijdstip in bepaalde regio's van Nederland boerderijen voorkomen is afhankelijk van het ontginningstijdstip.
Van de oudste boerenerven, maar ook van erven uit de Middeleeuwen zijn maar weinig gegevens bekend. Moestuinen zullen waarschijnlijk altijd wel dicht bij het huis hebben gelegen, met het oog op dagelijks gebruik en de kans op wildvraat. In die tuin zullen ook kruiden zijn gekweekt, onder andere medicinale. In de Late Middeleeuwen kregen in de tuinen of op het erf ook fruitbomen en waarschijnlijk bloemen een plaats en stonden nuts en sierplanten door elkaar. Veel soorten waren populair vanwege hun symbolische betekenis, zoals de roos voor liefde en de witte lelie voor maagdelijkheid. Andere hadden een speciale gebruiksmogelijkheid, bijvoorbeeld lavendel. Doordat er steeds vaker mensen waren die lange reizen ondernamen en door handel over grote afstanden zal het sortiment van de tuinplanten langzaamaan steeds meer internationaal zijn geworden.

Gewoonlijk worden drie typen tuin onderscheiden:

  • De klassieke nutstuin. De nutsfunctie overheerst en er staan alleen groenten in de tuin of hooguit een beperkte hoeveelheid bloemen. Staan er ook bloemen, dan wordt het een 'versierde nutstuin' genoemd: een oud type van een rechthoekige of vierkante groentetuin met bedden. Leibomen en heggen komen ook in dit type tuin voor. De eerste hebben als functie het koel houden van het huis, de heggen fungeerden als afscheiding. Meidoornheggen hielden bijvoorbeeld schapen en eventueel konijnen buiten de moestuin.
  • De formele tuin. Deze zijn meer geometrisch ingericht, overeenkomend met de Franse landschapsstijl. Formele tuinen getuigen van een zekere welstand van de boer. Er wordt ook duurder plantgoed gebruikt. De tuin is vaak min of meer symmetrisch en opgezet overeenkomstig de beginselen van de zogenaamde 'Renaissancetuin'. Deze formele tuinen komen het meest in het rivierengebied voor, bijvoorbeeld in Betuwe, Vijfherenlanden en Alblasserwaard. Deze tuinen zijn in het algemeen onderhoudsarm. De heggetjes worden twee maal per jaar geknipt en in de gemaakte perkjes staan kleurige eenjarige planten. Tussen de perken ligt vaak grind, waardoor onkruidbestrijding niet nodig is. De bloeitijd van dit type tuin lag laat in de 16e en in de 17e eeuw, maar de tuinen die nu nog bestaan van dat type zijn minder oud. De oudst overgeleverde beschrijvingen van nu nog bestaande tuinen dateren uit het begin van de negentiende eeuw.
  • Tuinen in de landschapsstijl. Dat zijn tuinen met ronde 'natuurlijke' vormen. Hoe 'rijker' een boer is, hoe meer aandacht en ruimte hij aan de erfbeplanting kan besteden. Bij grote boerderijen in het Groningerland werden zelfs zogenaamde 'slingertuinen' aangelegd: een tuin waarin met slingerende paden, een vaak ronde vijver en een ophoging de Engelse landschapsstijl werd geïmiteerd. Deze tuinen zijn aangelegd vanaf het begin van de 19e eeuw. De Engelse landschapsstijl streefde naar een imitatie van de natuur.


In alle tuintypen kwamen gewoonlijk een of meerdere solitaire bomen voor, bijvoorbeeld paardenkastanjes of beuken. Ook in de wat kleinere tuinen stond bijna altijd wel een grote fruitboom, bijvoorbeeld een stoofpeer of een walnotenboom. Veel van die notenbomen zijn omgehakt tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog want ze waren erg geschikt voor het maken van geweerkolven. In het rivierengebied staan vaak zware bomen op het erf die het ijs moeten breken dat bij zeer hoog water de boerderij kan bedreigen. Een kenmerk van het siergedeelte van tuinen is dat dit sterk gekleurd kan zijn door persoonlijke voorkeuren van de boer of boerin.

Allerlei niet groene elementen maken eveneens deel uit van het boerenerf. Zo zijn er bijgebouwen te vinden en zaken zoals bakhuisjes, boenhokken aan de slootkant, een mestvaalt, mogelijk houtstapels, een put, een rek voor het drogen van emmers of gereedschap om kaas mee te maken, een regenbak, een vrijstaande aardappelkelder en allerlei hekken en hekjes. De tuin mag in elk geval de bedrijfsvoering niet hinderen.

Variaties in boerenerven worden mede veroorzaakt door regionale bedrijfstypen en de grondsoort waarop het erf staat. Als boerderijen bij een landgoed horen is bovendien de landgoedstijl van invloed op het erf. Boerenerven en -tuinen zijn, zoals alle andere tuinen onderhevig aan modeverschijnselen. Vanaf 1900 zien we veel invloeden van de Engelse cottagetuin, maar ook van Duitse tuinen. Vrij recent toegevoegde elementen zijn coniferen, rododendrons en borders. Lag de boerderij op 'arme' gronden, dan was belangrijk dat de erfbeplanting producten opleverde, zoals fruit en groente voor eigen gebruik. Van invloed was ook het omringende landschap: in kuststreken waait het gewoonlijk harder en zal men eerder geneigd zijn een brede windsingel rond de boerderij aan te leggen, bovendien met soorten die bestand zijn tegen zoute zeewind. Vaak werden daar iepen voor gebruikt, maar die soort is sterk achteruit gegaan in de 20ste eeuw door de iepziekte. Andere soorten die geschikt zijn, zijn de gewone es, esdoorn, zwarte els, populierensoorten (inclusief abeel), wilgen en linden. Als struiken konden meidoorn en vlier fungeren, maar struikvormige zomereiken kwamen ook voor.
Bomen ontbraken in het algemeen in het veenweidegebied, dus moest de boer zelf hout kunnen oogsten. Dat kon hij alleen doen door geriefhout aan te planten in de vorm van knotbomen of hakhout, bijvoorbeeld op kaden en langs wegen, maar ook rond de boerderij. Waar hennep werd geteeld, waren bomen nodig, bijvoorbeeld knotbomen, waartegen de hennepstengels na het roten te drogen werden gezet. Voor brood bakken, kaasbereiding en verwarming was hout nodig, dat uit nabijgelegen geriefhoutbosjes kwam (of uit houtsingels en houtkaden). Bomen en houthagen rond het erf waren ook van belang voor schaduw en koelte. Bij boerderijen in het veenweidegebied waar kaas werd gemaakt had de boer koelte nodig in zijn huis om de kaas te kunnen bewaren. Verder gebruikte hij veel hout om de melk te verwarmen.

Een belangrijk aspect is ook of rond een boerderij sloten liggen die het jaarrond waterafvoerend zijn. Is dat niet het geval, dan is er een ander type afscheiding nodig, waarbij vroeger gekozen kon worden voor wallen of singels met hakhout, meidoornhagen of bijvoorbeeld tuinwallen.
Kenmerkend voor de boerentuin was vroeger het gebruik van bloemen en struiken die opvallend bloeiden en weinig onderhoud vergden. Bijvoorbeeld jasmijn, pioenroos, flox, duizendschoon, dahlia, stokroos, vergeet mij niet, akelei, asters, goudsbloemen, rozen, chrysant, margriet. Ook bolgewassen werden veel aangeplant, zoals sneeuwklokjes, krokussen, herfsttijloos, lelies, bosanemonen, gladiolen. Veel bloemen en planten in de boerentuin schijnen om hun speciale functie te zijn aangeplant, vanwege een geneeskrachtige werking, eetbaarheid of het verdrijven van ongedierte.