Stap 3: Beheerstrategieën

Het onderstaande schema geeft een aantal gradaties in beheer. De meest wenselijke situatie is die van regulier onderhoud. Bij de meeste soorten objecten levert dit een lange levensduur op. Blijft onderhoud achter, dan zal verval optreden, waardoor uiteindelijk het voortbestaan van het element bedreigd wordt. Vervolgens kan men ervoor kiezen om de oorspronkelijke situatie te herstellen, de bestaande situatie vast te houden ('consolideren') of verder verval toe te staan. In het laatste geval zal het element uiteindelijk verdwijnen of hoogstens in archeologische sporen (als deel van het 'bodemarchief') blijven bestaan.
Is het laatste het geval, dan kan men het weer 'zichtbaar maken', zoals wel eens gebeurt na een archeologisch onderzoek. Dat kan betekenen dat opgegraven muurwerk in een kelder wordt getoond of dat aangetroffen grondsporen in het plaveisel van een straat worden gemarkeerd. In deze gevallen wordt een nieuwe uitgangssituatie gecreëerd, die afwijkt van de oorspronkelijke.
Veel verder gaat de mogelijkheid van reconstructie, waarbij men een verdwenen object weer nieuw aanlegt. Dit laatste heeft overigens weinig meer met cultuurhistorie te maken: het betreft een nieuw element, dat slechts een (zo goed mogelijk nagemaakte) oude vorm heeft. In dergelijke gevallen wordt vaak besloten om het nieuwe object een eigentijdse vorm te geven, zodat het als vroeg-21ste-eeuws herkenbaar blijft. Wel valt hier een kanttekening te maken: reconstructie van een afzonderlijk object kan voor het grotere geheel een vorm van restauratie zijn. Door in een houtwallenlandschap een verdwenen houtwal weer terug te brengen, wordt een object toegevoegd dat op zichzelf (nog) geen cultuurhistorische waarde bezit. Voor het landschap als geheel betekent het echter een vorm van restauratie.

schemap46.jpg

Bij elke beheeractiviteit zal de beheerder zich af moeten vragen welke strategie gevolgd zou moeten worden.