Het referentiebeeld

Een van de belangrijkste keuzen bij het vaststellen van het beheerdoel betreft het al of niet uitgaan van een vast referentiepunt (ijkpunt) in de tijd. Werken met een vast referentiepunt kan ertoe leiden dat conservering, restauratie of zelfs reconstructie van één bepaalde situatie in de geschiedenis wordt nagestreefd. Zo'n ijkpunt kan worden gevonden in het heden, in de ontstaansperiode of in een willekeurig tijdstip in het verleden.

 

Mogelijkheid 1: de ontstaansperiode.

Vaak geldt de oorspronkelijke situatie als uitgangspunt. Deze mogelijkheid is uiteraard beperkt tot objecten die in korte tijd tot stand gekomen zijn, omdat we bij een meer geleidelijke ontwikkeling moeilijk kunnen spreken van een oorspronkelijke situatie. In deze gevallen is het beleid gericht op behoud van die onderdelen die nog teruggaan tot de oorspronkelijke situatie. Soms gaat het beleid een stap verder en wordt gestreefd naar het terugbrengen, door restauratie of reconstructie, van de oorspronkelijke situatie. Bij een reconstructie is het 'oorspronkelijke' voornamelijk conceptueel, omdat het noodzakelijk plaatsvindt met moderne materialen. Dit behoudsdoel komt veel voor bij archeologische monumenten (grafheuvels) en vestingwerken. Bij gebouwen, parken en buitenplaatsen wordt dit behoudsdoel vooral gehanteerd als de oorspronkelijke aanleg herkenbaar en de oorspronkelijke ontwerptekeningen bewaard zijn.
Op het eerste gezicht is herstel van de oorspronkelijke situatie een ideaal uitgangspunt. Er zijn echter enkele problemen. Zo is die oorspronkelijke situatie vaak relatief onbekend door gebrek aan gegevens. Hoe zag een houtwal er in de Middeleeuwen uit? Was die wal met doornen begroeid of met een vlechtheg? Stonden er ook grotere bomen op? Het zijn vragen waar maar moeilijk een antwoord op te geven is. De definitie die Van Dale geeft van restauratie, 'in de vroegere toestand herstellen' is in deze gevallen weinig praktisch.
Een nog groter probleem is, dat voor landschappen, maar ook voor veel landschapselementen, moeilijk een begin aan te geven is. Grafheuvels zijn in de prehistorie vaak hergebruikt, een dijk is in de loop van de tijd voortdurend opgehoogd en verbreed, een oud gebouw is vaak talloze malen verbouwd. Die latere ontwikkelingen zijn deel van de geschiedenis en maken het object interessanter. Bij een kasteel dat in de loop van de tijd van een eenvoudige woontoren is uitgegroeid tot een uitgebreid complex, zullen weinig mensen terug willen naar de oudste situatie.

 

Mogelijkheid 2: De situatie op een bepaald moment in de geschiedenis.

In andere gevallen wordt een bepaalde historische situatie als de meest wenselijke gezien. In de praktijk komt dit op hetzelfde neer als bij het uitgaan van de oorspronkelijke situatie, maar de situatie die hier als norm wordt gesteld is willekeuriger gekozen. Vaak zal het de periode zijn waarop een object de grootste bloei beleefde, bijvoorbeeld een grafheuvel na de laatste prehistorische ophoging, een vesting na de laatste uitbreiding of een heggenlandschap op het moment van de grootste heggendichtheid.
Bij losse objecten die elke functie hebben verloren, zogenaamde fossiele objecten, is het moment waarop het object zijn functie verloor vaak een bruikbaar uitgangspunt. De ontwikkeling die het object doormaakte onder invloed van de eisen die de functie stelde, stopte op dat moment. Het object wordt daarmee in een bepaald stadium geconserveerd; nadien treedt alleen nog slijtage op. Bij restauratie van vestingwerken wordt vaak de situatie na de laatste bouwfase hersteld.

Daarnaast treffen we dit uitgangspunt aan bij gecompliceerde gebouwen en landschappen, waarvoor geen oorspronkelijke situatie kan worden aangegeven. Soms bestaat toch de behoefte een vroegere situatie als uitgangspunt te nemen. Dat kan verband houden met een tijdstip dat voor het object bijzonder was, bijvoorbeeld door een associatie met een bekende persoon (een gebouw waarin een beroemdheid verblijf hield, een landschap dat door Ruysdael is geschilderd, enzovoorts). Voor gebieden dient vaak het moment waarop het door een natuurbeschermingsorganisatie werd gekocht, als (goed gedocumenteerde) referentie.

Moeilijker te beargumenteren is het 'corrigeren' van recente ingrepen die als verstoring worden gezien. Daarbij bestaat nog wel verschil tussen restauraties (waarbij alleen toevoegingen, zoals witkalk over een muurschildering, worden verwijderd) en reconstructies (waarbij ingrepen waarvoor ooit zaken gesloopt zijn, ongedaan worden gemaakt). In het laatste geval wordt vaak de 19e eeuw of het midden van de 20ste eeuw als referentie genomen. We zien dit vooral bij oudere restauraties van kastelen en kerken, waar nogal eens 20ste-eeuwse toevoegingen worden verwijderd. De historische ontwikkeling wordt in deze gevallen herkenbaar op de laatste fase na.

Bij landschappen is het 19e-eeuwse beeld vaak richtinggevend. Vooral de situatie op de topografische kaarten rond 1900 vormt een populair uitgangspunt, deels omdat we die situatie (dankzij die kaarten) redelijk kennen, deels omdat die situatie door velen als een historisch optimum wordt gezien. Hier valt wel wat op af te dingen. De 19e-eeuwse heidevelden, die we kennen uit schilderijen en beschrijvingen, vertegenwoordigen de laatste, maar tevens de meest intensieve, fase van de heide als deel van het agrarische productiesysteem. In het beheer is vaak de grote, kale 19e-eeuwse heide het referentiebeeld en niet de gevarieerdere heidevelden van enkele eeuwen eerder (zie bijvoorbeeld Spek, 2004). De grootste lengte aan heggen en houtwallen uit de geschiedenis bestond waarschijnlijk rond de Eerste Wereldoorlog, na een periode van heide-ontginningen en juist voor de snelle opkomst van het prikkeldraad.

 

Mogelijkheid 3: De huidige situatie.

Waar de huidige situatie als uitgangspunt wordt genomen, is het beleid erop gericht de waardevolle bestanddelen in de huidige situatie te handhaven en achteruitgang daarvan tegen te gaan. Dit uitgangspunt is wijdverbreid in de bescherming van gebouwen en landschappen, vooral als die hun huidige vorm ontlenen aan een langdurig groeiproces. In zeer strikte vorm treffen we dit uitgangspunt aan bij de bescherming van het bodemarchief, waar het vrijwel uitsluitend gaat om de sporen die er nu nog zijn tegen verdere achteruitgang te beschermen.

 

Mogelijkheid 4: Behoud zonder vast referentiepunt

In meer en meer gevallen wordt tegenwoordig afgezien van een vast referentiepunt. In de restauratiepraktijk wordt tegenwoordig in veel gevallen gekozen voor behoud van de 'oorspronkelijke' vorm, inclusief latere toevoegingen. Dit betekent dat niet alle latere ontwikkelingen per definitie als verstoring worden gezien. Aanpassingen in de vorm zijn inherent aan veranderingen in gebruik en moeten, binnen randvoorwaarden, ook in de toekomst mogelijk blijven. Het wijst op een verschuiving in het denken over monumenten en landschappen, waarbij de 20ste-eeuwse eeuw niet meer uitsluitend negatief wordt bekeken. Steeds meer wint ook in de praktijk de opvatting veld, dat een landschap een levend iets is, en dus mag veranderen. Het gevolg is dat pragmatisch met de uitgangspunten wordt omgegaan en dat per object wordt bekeken wat op grond van kennis, financiën en toekomstige functie de beste vorm is.

De discussie over het referentiemoment is een lastige, ook omdat we nog zoveel dingen niet weten. Zeker bij groene elementen, zoals houtwallen, houtsingels en bossen, wordt er onwillekeurig vaak vanuit gegaan dat boeren overal hetzelfde beheer voerden en dat beheer bovendien in de loop van de tijd weinig veranderde. De werkelijkheid zou wel eens een stuk complexer kunnen zijn. We willen dit probleem illustreren aan de hand van twee voorbeelden.
Het eerste voorbeeld biedt het hakhout in Langbroek in de provincie Utrecht, waar we zien dat het beheer van de bossen in de loop van de tijd veranderde, deels onder omstandigheden die een plaatselijk karakter hadden. In het begin van de 19e eeuw bevatte de gemeente Langbroek naast 30 morgen opgaand bos maar liefst 780 morgen hakhout, dat in een vragenlijst uit 1815 werd aangeduid als 'akkermaal en elzenhout'. De productie van dat hakhout werd gebruikt voor gereedschapsstelen (vooral essenhout), bonestaken en fruitstutten, maar vooral als brandhout. Dagelijks voeren kleine schuiten (volgens opgave van de gemeente van 1815 waren dat er toen 26) met brandhout naar de stad Utrecht. Naast landbouw was de handel in hout de belangrijkste inkomstenbron van de bewoners van Langbroek. Tegen het eind van de negentiende eeuw nam de behoefte aan brandhout af en schakelden de boeren over op de teelt van 'snijgriend': wilgetenen die jaarlijks werden geoogst en vooral gebruikt om manden te vlechten. Daarnaast werd hakgriend geteeld, dat geoogst werd in een cyclus van drie tot vier jaar en gebruikt werd voor hoepels en dergelijke. Een griend bleef zo'n 15-20 jaar rendabel en werd daarna gerooid. In de tweede helft van de 20e eeuw verdween de markt voor hakhoutproducten en liet men het meeste bos doorgroeien tot opgaand hout, soms ook met andere houtsoorten. Bovendien bleef het bos op dezelfde plaats liggen, onder meer omdat de Boswet de verplaatsing van bossen sterk bemoeilijkt.

Het tweede voorbeeld is deels vergelijkbaar maar kent een geheel andere geschiedenis. Het betreft het beheer van de hakhoutbosjes rondom de dorpen aan de oostrand van de Veluwe. De vele eikenbosjes die hier liggen werden vroeger in een bepaalde cyclus 'gehakt', meestal in mei, wanneer de bast het makkelijkst losliet en de meeste looistof bevatte (ze werden ook wel 'meibosjes' genoemd). De schors werd door eekkloppers - of ekers - van de stammen afgeklopt. In de leerlooierijen werd de schors in schuren nagedroogd, want alleen droge schors kon goed worden gemalen. Daarna werd de schors in kleinere stukken gehakt en in manden naar de eekmolen of runmolen vervoerd en gemalen. Het poeder (de run) werd in grote zakken gedaan en in de leerlooierij opgeslagen en verder gebruikt voor het looien van leer. Het landschap rondom de dorpen kende dus elk jaar grote hoeveelheden kaalgekapte stukken eikenhakhoutbos. Inmiddels worden deze bossen niet meer gekapt, waardoor de sporen van deze geschiedenis langzaam uit het bos verdwijnen.