wanneer en waar

Deze website gaat over cultuurhistorisch beheer, maar dat wil niet zeggen dat cultuurhistorisch beheer overal en altijd de norm moet zijn. Voor nieuwe elementen, zoals houtsingels die binnen een landinrichting of landschapsherstelproject worden aangeplant, verdient vaak een moderne vorm van beheer de voorkeur. Hakhoutbeheer is bijvoorbeeld in de praktijk duur en vergt veel inspanning. Die investering kan dan beter worden gedaan om de belangrijkste kenmerken en waarden van een historisch hakhoutbos in stand te houden. In een nieuw aangeplant bos is er niets tegen een goedkope, eigentijdse vorm van beheer.
Om te bepalen waar een cultuurhistorisch beheer wordt gevoerd en waar een ander, bijvoorbeeld extensiever, beheer wordt gevoerd kan men de volgende tabel gebruiken.

Image


In deze tabel staat op de horizontale as de actuele waarde, waarbij cultuurhistorie en mensgebonden natuur voor het gemak zijn samengenomen. Op de verticale as staan de potenties voor natuurontwikkeling. De combinatie leidt tot een indeling in vier categorieƫn.

  1. gebieden met hoge actuele waarden op het gebied van cultuurhistorie en hoge potenties voor natuurontwikkeling. Het voorgestane beheer is hier een nadruk op behoud van de bestaande waarden, aangevuld met kleinschalige natuurontwikkeling.
  2. gebieden die in natuurlijk opzicht sterk zijn achteruitgegaan (bijvoorbeeld door het zeer intensieve landbouwkundige gebruik) en ook geen geweldige mogelijkheden voor natuurontwikkeling bieden, maar die wel een hoge cultuurhistorische waarde hebben. In deze categorie vallen delen van de zandgronden, gekenmerkt door weinig geomorfologische dynamiek en vaak sterk verontreinigde bodems, maar nog wel met veel historische elementen en structuren. Ook de waardevolle stedelijke gebieden vallen in deze categorie. Hier zal het behoud en beheer van het historische cultuurlandschap nog sterker dan in categorie I voorrang moeten hebben.
  3. gebieden met lage actuele waarden en hoge potenties voor natuurontwikkeling. Hierbij kunnen we denken aan delen van de uiterwaarden in het rivierengebied en aan veel beekdalen in de zandgebieden. In deze gebieden is de actuele waarde van het landschap door cultuurtechnische maatregelen of grondstoffenwinning sterk achteruitgegaan, maar bestaan wel goede mogelijkheden voor natuurontwikkeling en voor herstel. Cultuurhistorisch beheer zal hier een geringere rol spelen.
  4. gebieden waarin niet alleen de historisch-landschappelijke en de ecologische waarden sterk zijn afgenomen, maar waar bovendien de mogelijkheden voor natuurontwikkeling gering zijn. Voorbeelden zijn diepe grindgaten en sterk vervuilde bodems (bijvoorbeeld oude fabrieksterreinen). Landschapsbouw (of, zoals de tegenwoordige term luidt: een ontwikkelingsgerichte landschapsstrategie) is hier de best begaanbare weg om deze gebieden weer enigszins toon- en leefbaar te maken.