Aardkunde
Voor de cultuurhistorische objecten in het landschap is enige fysisch-geografische (hier aardkunde genoemd) kennis onontbeerlijk. Binnen de aardkunde zijn vooral de geologie, de geomorfologie en de bodemkunde als hulpwetenschappen van belang. De geologie bestudeert de opbouw en de wordingsgeschiedenis van de aardlagen. Bij de bestudering van de cultuurhistorie van het landschap ligt het voor de hand eerst te kijken naar bodemgesteldheid en waterhuishouding. Een goede kennis van de horizontale en verticale verbreiding van de bodemafzettingen verschaft derhalve inzicht in de ontwikkelingen in de vroegere perioden van de bewoningsgeschiedenis waarvan weinig of geen andere documenten bewaard zijn gebleven. De geologische informatie over de diverse delen van Nederland wordt gepubliceerd door middel van de Geologische Kaart van Nederland (schaal 1 : 50.000). Bij elk kaartblad hoort een toelichting in boekvorm en een aantal bijkaarten, waarop specifieke geologische verschijnselen nader worden aangeduid. Deze kaarten zijn slechts voor een deel van Nederland beschikbaar. De bodemkunde houdt zich bezig met het beschrijven en classificeren van de verschillende soorten bodems die zich in de bovenste 120 centimeter hebben gevormd, alsmede met het verklaren van hun ontstaan. Ook hier heeft juist in Nederland de mens een grote invloed gehad op de bodemvorming, zodat kennis over de bodem een zeer belangrijke bron van informatie is over de menselijke activiteiten uit het verleden. Vooral de Stichting Bodemkartering (STIBOKA, later opgegaan in het DLO-Staring Centrum en weer later in het huidige instituut Alterra-WUR) uit Wageningen is van het grootste belang geweest voor het totstandkomen van een systeem van bodemclassificatie, dat berustte op landschappelijke en geologische begrippen zoals grondsoort, bewerking door de mens, hoogteligging, vochtgehalte, enzovoort. In de jaren zestig werd deze fysiografische benadering zoveel mogelijk geldig gemaakt voor heel Nederland en toetsbaar aan goed meetbare criteria, hetgeen heeft geleid tot een vernieuwd classificatiesysteem (De Bakker en Schelling, 1966), dat nu nog steeds wordt gehanteerd. Op basis van dit systeem is een vlakdekkende bodemkaart voor geheel Nederland op schaal 1 : 50.000 samengesteld met bij elk kaartblad een toelichting in boekvorm. De kaart is ook op Internet te raadplegen. De geomorfologie houdt zich bezig met de beschrijving en de verklaring van de verschillende terreinvormen die het aardoppervlak vertoont. juist in Nederland is de morfologie van het aardoppervlak in hoge mate direct en indirect beïnvloed door menselijke activiteiten en dus van belang als bron van kennis over de cultuurhistorie van het landschap. Hetzelfde instituut dat de bodemkaart samenstelde, heeft ook de Geomorfologische kaart van Nederland (schaal 1 : 50.000) gemaakt. Een deel van de kaartbladen bevat een toelichting. De hele kaart is op Internet te raadplegen.
Literatuur
Alvorens zelf het wiel opnieuw uit te vinden, is het altijd nuttig om kennis te nemen van wat anderen al over een onderwerp hebben geschreven. Voor historisch beheer staan dan drie soorten publicaties ter beschikking:
- Literatuur over landschapselementen en hun vroegere beheer. Een recent boek is 'Nederland weer mooi' (Dirkmaat, 2005), waarin een hartstochtelijk pleidooi wordt gehouden voor historisch beheer. Het boek is onder meer gebaseerd op een groot aantal veldwaarnemingen. Een andere recente uitgave is de Landschapsbeheer Nederland-publicatie 'Leestekens van het landschap' (Baas et al., 2005), dat van een groot aantal landschapselementen een definitie en een verwijzing naar literatuur geeft. U vindt bijvoorbeeld verwijzingen naar de publicaties die Landschapsbeheer Nederland en anderen hebben uitgegeven over afzonderlijke landschapselementen, zoals hoogstamboomgaarden, eendenkooien en poelen. Zoals al vaker in deze inleiding is opgemerkt, is er nog veel te weinig bekend over de variatie in beheervormen in verschillende perioden en gebieden. Dat komt voor een belangrijk deel omdat er in het verleden weinig over beheer werd geschreven. De meest gewone dingen zijn dikwijls het moeilijkst in archieven te vinden.
- Literatuur over historische landschappen en landschapstypen. Veel landschapselementen zijn gebonden aan specifieke landschapstypen. Zo liggen de meeste eendenkooien in het rivierengebied, horen boezemwateren bij veengebieden en droogmakerijen en vinden we eswallen en landweren vooral in de zandgebieden. Een beknopt overzicht van de historische ontwikkeling van de verschillende landschapstypen in Nederland bieden de boeken 'Het Nederlandse landschap' (Barends et al., 2000), 'De ontginning van Nederland' (Hendrikx, 1998), 'Levend verleden' (Haartsen et al., 1989) en 'Ontgonnen verleden' (Baas et al., 2000). Een aanvulling voor de jongere perioden biedt het boek 'Jonge landschappen' (De Harde & Van Triest, 1994). Voor de geschiedenis van de waterbeheersing, een zeer belangrijk thema in het Nederlandse landschap, is er het boek 'Leefbaar laagland' (Van de Ven, 2003). Daarnaast bestaan goede overzichtswerken over bepaalde gebieden, zoals 'Het Groene Hart' (Borger et al., 1997).
- Locale historische literatuur. Plaatselijke historici hebben over vrijwel ieder dorp in Nederland wel een boek en een reeks van artikelen geschreven. Hoewel veel van die literatuur nauwelijks over landschap gaat, hebben de auteurs vaak wel een grote kennis van de lokale situatie. Er kunnen dan ook interessante gegevens in staan over vroeger beheer van het landschap. Het Historisch-Geografisch Tijdschrift, dat sinds 1983 verschijnt, bevat een lopende bibliografie van publicaties over de geschiedenis van het landschap. De titels zijn geordend per provincie.


