Wat willen we behouden
Bijna overal liggen in het landschap cultuurhistorische sporen uit ons verleden. Net zoals deze ooit zijn ontstaan uit menselijk handelen, zullen door nieuwe ingrepen oude sporen verdwijnen en zal tegelijkertijd ook weer nieuwe cultuurhistorie ontstaan. Beheer van een historisch cultuurlandschap betekent niet dat er een kaasstolp over het landschap wordt gezet en er niets meer mag veranderen. Veeleer gaat het om het begeleiden van verandering, waardoor belangrijke historische waarden (en ook natuur- en esthetische waarden) blijven bestaan. Dat betekent ook dat er keuzes moeten worden gemaakt. Er kan een reeks argumenten worden genoemd om historische elementen en structuren in het landschap te behouden. Daarbij springen er twee argumenten uit. Het eerste is het tijdsgebonden karakter van cultuurhistorische objecten. Dat maakt dat verdwijnen onomkeerbaar is. Men kan wel vormen nabootsen, maar de processen die tot de vorming van die objecten hebben geleid, bestaan niet meer. Het tweede argument is dat van historische landschapselementen en -structuren als bron van kennis van het verleden. Men spreekt in dit verband wel van de informatiewaarde. Dit begrip kan helpen om keuzes te maken, door als uitgangspunt te nemen dat de historische ontwikkeling en kenmerken van een cultuurlandschap herkenbaar moeten blijven. Twee groepen objecten zijn de belangrijkste 'dragers' van die informatie:
- de algemene karakteristieken van een landschapstype. Dit zijn de elementen, patronen en structuren die over een lange periode constant zijn gebleven. Zij bepalen grotendeels het karakter van een landschap of een gebied. In laag-Nederland zijn het de hoofdvormen van landinrichting (zoals verkavelingspatronen en weteringen) en in hoog-Nederland gaat het vooral om oude bodemgebruikseenheden (essen en kampen).
- sporen van kenmerkende ontwikkelingen die het landschap hebben gevormd. Voorbeelden zijn resten van waterstaatskundige ontwikkelingen, sporen van vestingbouw en bijzondere vormen van landbouw. Veel van deze sporen horen bij bepaalde perioden en zijn ook kenmerkend voor bepaalde streken. Zo liggen de grootste concentraties van eendenkooien in de komgronden van het rivierengebied. Tabaksschuren, restanten van de teelt van tabak die in Nederland vanaf de zeventiende eeuw werd uitgevoerd, vinden we vooral op de zuidelijke helling van de Utrechtse Heuvelrug. Een derde voorbeeld zijn hennepakkers: kleine, door sloten omgeven landjes in de veengebieden van Utrecht en Zuid-Holland, waarop in de 17e en 18e eeuw hennep werd geteeld voor de touwindustrie.
In de praktijk ontstaan er voortdurend conflicten over wat te behouden. In de officiële monumentenzorg (geformuleerd door de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumenten, RACM) staat behoud van materie voorop, zoals geformuleerd in het Verdrag van Venetië. In dit verdrag stelden monumentenzorgergs vast dat behoud vóór reconstructie gaat, met als belangrijkste argument de wetenschappelijke waarde. De andere kant is echter een voortdurende behoefte om te onderzoeken en te verfraaien. Bij archeologische objecten is het dilemma dat we het moeten opgraven om de informatie te krijgen, maar dat opgraven tegelijk betekent dat een groot deel van het object zelf vernietigd wordt.
Behoud van gebouwen met de oude functie is vaak onmogelijk. Een nieuwe functie zoeken is op zichzelf geen probleem, maar heeft soms wel grote consequenties voor de vorm. Vooral bij specifieke gebouwtypen komt dat soms hard aan: een fabriek die als cultureel centrum wordt gebruikt of een kerk die bewoond wordt.
Verplaatsing komt vooral veel voor bij losse objecten, zoals wegkruisen, grensstenen en gevelstenen. Zo wordt straatmeubilair verplaatst bij wegverbredingen en zijn veel dijkpalen verplaatst bij dijkverbeteringen. Ook vandalisme kan een reden zijn om historische objecten te verplaatsen. Van de vele grenspalen die Nederland rijk is, staat nog maar een klein deel op de oorspronkelijke plek, hoewel die palen hun historische belang juist danken aan de exacte plek waarop ze staan. Bij wegkruisen ontstaan soms interessante discussies. Als een kruis is opgericht op de plek van een misdaad of ongeluk, zit de historische waarde vooral in de oorspronkelijke locatie. Bij een kruis dat een wegsplitsing markeert, is verplaatsing bij veranderingen in de wegen echter wel bespreekbaar.
De discussie over behoud van vorm, materie of functie kunnen we illustreren aan de hand van een kasteelruïne. Voor een kasteelruïne is consolidatie (vastleggen van de huidige vorm en materie door bijvoorbeeld het afdekken met een beschermende laag) de beste manier om de informatie in stand te houden. Als een ruïne weer wordt opgebouwd, komt het dichter bij de oorspronkelijke vorm, maar gaat een deel van de originele sporen verloren. Nog onlangs speelde dit dilemma bij de discussies over de 'herbouw' van het Valkhof in Nijmegen, waarbij overigens ook de oude vorm slechts in zeer grote lijnen bekend is. Hier zou de reconstructie een 20ste-eeuws gebouw met het uiterlijk van een kasteel hebben opgeleverd, ten koste van een bijzonder 19e-eeuws stadspark en ten koste van de authentieke ondergrondse resten van het oorspronkelijke kasteel.
Een houtwal is een ander voorbeeld van mogelijk tegenstrijdige behoudsdoelen en de noodzaak van zorgvuldige afwegingen. Bij de nadruk op materie zou het beheer erop gericht zijn oude bomen en stobben te beschermen. Ligt de nadruk op de vorm, dan is men eerder geneigd de wal regelmatig opnieuw in te planten. In beide gevallen dient de wal regelmatig te worden aangevuld. Verplaatsing van een wal betekent dat het oorspronkelijke bodemprofiel onherroepelijk verdwijnt en betekent daarbij het verlies van de historische plek en omgeving.
Meer in detail, op het niveau van afzonderlijke elementen en structuren, gaat het in de discussie 'wat te behouden' om de volgende begrippen: materie, vorm, plaats en betekenis.


